Terug

MEDICIJNEN  op  MAAT

 HomeAlgemeenZiektenMedicijnen

Hersenen  &  zenuwstelsel

EPILEPSIE

INHOUD

 Onweer  in  de  hersenen
 
aanvallen in vele soorten en maten
 
Uitgangspunten  voor  de  therapie
   ▪ het elektro-encefalogram (EEG)
 Anti-epileptica
   ▪ onderhoudsbehandeling
   ▪ bijwerkingen
   ▪ bloedconcentraties
 
status  epilepticus
 Koortsstuipen  bij  kinderen
   ▪
toedieningsinstructie microklysma


Onweer  
in  de  hersenen

Epilepsie, ook wel vallende ziekte genoemd, is een verzamelnaam van aandoeningen waarbij plotseling storingen in de hersenfunctie ontstaan, die meestal voorbijgaan. Afhankelijk van het type is er sprake van een daling van de bewustzijnsgraad, soms zelfs van bewusteloosheid en verder zijn er allerlei lichamelijke verschijnselen (spiertrekkingen, tongbijten, ongecontroleerd plassen en poepen).

De aanval ontstaat doordat een groep hersencellen overactief wordt en in het wilde weg elektrische signalen afgeeft. Daardoor kunnen in de rest van het lichaam allerlei ongewenste verschijnselen optreden, terwijl de bewustzijnsgraad sterk is gedaald.

Epilepsie kan het gevolg zijn van aangeboren afwijkingen, maar ook van beschadigingen door hersenletsel, infectie of ontsteking, beroerte of tumor. Vaak is er echter geen duidelijke oorzaak te vinden. Naar schatting één op de 125 à 250 mensen lijdt aan een of andere vorm van epilepsie.

Aanvallen  in  vele  soorten  en  maten

De meest opvallende vorm is de grote aanval (‘toeval’, ‘grand mal’). De patiënt verliest het bewustzijn, valt op de grond (vandaar de naam ‘vallende ziekte’) en slaakt een gil. De spieren maken trekkende en schokkende bewegingen (tonische en klonische convulsies; zie ook figuur), er verschijnt schuim op de mond, de patiënt bijt op zijn tong en wordt incontinent. Na een paar minuten volgt een periode van slapte en coma, waarna de patiënt ontwaakt en zich niets van de aanval herinnert.

Een andere vorm is de absence (‘petit mal’), die vooral bij kinderen voorkomt. Er is dan sprake van een verminderd bewustzijn gedurende enkele seconden tot hooguit een halve minuut: men is even niet aanspreekbaar. Dagelijks kunnen tientallen van dergelijke kleine aanvallen optreden.
Een derde vorm, de partiële of focale aanval, begint vaak met een vreemde sensatie in een bepaald lichaamsdeel, waarna buiten de wil van de patiënt een plaatselijke spiertrekking (duim, grote teen, of in het gezicht) optreedt. Meestal is er bij een partiële/focale aanval geen bewustzijnsverlies, maar in een enkel geval kan ook het bewustzijn enigszins worden beïnvloed. Na enkele minuten is de aanval meestal voorbij. Behalve de beschreven aanvalsvormen, zijn er nog verschillende andere vormen van epilepsie bekend.

Als iemand één enkele aanval heeft, betekent dat nog niet dat hij epilepsie heeft. Zeer sterke prikkels, bijvoorbeeld een snelle en ernstige daling van het bloedsuikergehalte (hypoglykemie), een extreem slaapgebrek of een gigantische alcoholconsumptie, kunnen bij iedereen een epileptische aanval provoceren. Van epilepsie is pas sprake als ook aanvallen ontstaan zonder dergelijke provocerende prikkels, spontaan dus. In de definitie van epilepsie is sprake van kortdurende gebeurtenissen, maar soms volgen de aanvallen elkaar zo snel op dat de patiënt niet bij bewustzijn komt; men spreekt dan van een status epilepticus. Dit is een levensbedreigende toestand; de patiënt moet onmiddellijk worden behandeld.


Uitgangspunten 
voor  de  therapie

Het spreekt voor zichzelf dat een juiste diagnose de basis vormt voor een effectieve behandeling met medicijnen. De diagnose epilepsie berust vooral op klinische gegevens, zoals de aard van de symptomen, waaraan het elektro-encefalogram (EEG; zie kader) een (belangrijke) bijdrage kan leveren. Voor het bepalen van de prognose en de keuze van de medicatie is het van groot belang het type epilepsie nauwkeurig in kaart te brengen. De keuze van het medicijn is namelijk sterk afhankelijk van de vorm van epilepsie en het aanvalstype dat behandeld moet worden.


Het elektro-encefalogram (EEG)
 

Tijdens een epileptische aanval neemt de elektrische activiteit in de hersenen toe. De spanningsveranderingen die door de toegenomen activiteit in de hersenneuronen worden opgewekt, kunnen op enige afstand worden waargenomen. Dat gebeurt door op de schedel geplaatste elektroden die verbonden zijn met een gevoelige galvanometer, de elektro-encefalograaf. Als bepaalde groepen neuronen tegelijk actief worden, wordt het potentiaalverschil met niet-actieve hersengebieden groter en zichtbaar op het elektroencefalogram (EEG). Omdat er op de schedel op ongeveer twintig verschillende plaatsen elektroden worden geplakt, kan nauwkeurig worden vastgesteld in welk gedeelte van de hersenen de abnormale elektrische activiteit plaatsvindt. De verschillende vormen van epilepsie veroorzaken tamelijk specifieke patronen in de elektrische hersenactiviteit, vandaar dat het EEG een belangrijk hulpmiddel is bij de diagnostiek. Aanvallen kunnen soms worden opgewekt door slaaponthouding, lichtflitsen, hyperventilatie enzovoort. Daardoor kunnen de EEG-afwijkingen ook tijdens het diagnostisch onderzoek in het ziekenhuis worden opgeroepen. Daarnaast is het EEG van belang voor de prognose: hoe groot is de kans op een nieuwe aanval binnen twee jaar?

De diagnose epilepsie wordt altijd door de neuroloog gesteld – vooral om te bepalen om welke vorm van epilepsie het gaat. Op basis van de diagnose schrijft hij vervolgens medicijnen voor. Het is al enkele jaren gebruikelijk de behandeling te starten met één geneesmiddel (monotherapie). In verband met de eventuele bijwerkingen en de langdurige behandeling wordt altijd begonnen met lage doseringen, die geleidelijk worden verhoogd tot de aanvallen voldoende worden onderdrukt. Als dat niet lukt, bijvoorbeeld doordat er bijwerkingen ontstaan, wordt overgegaan op een ander middel, dat in eerste instantie naast het eerste middel wordt gegeven, terwijl het eerste middel vervolgens geleidelijk wordt verminderd. Voldoet het tweede middel ook niet, dan kan een combinatie van twee middelen in aanmerking komen.

Anti-epileptica

De medicijnen die bij de behandeling van epilepsie in aanmerking komen heten anti-epileptica; ze onderdrukken of voorkomen dat er een abnormale, elektrische activiteit in de hersenen ontstaat.

Onderhoudsbehandeling
Afgezien van de middelen die bij status epilepticus worden gebruikt, worden anti-epileptica continu gebruikt om het optreden van aanvallen te verminderen of zelfs geheel te voorkómen. Het gaat hier dus om een preventieve onderhoudsbehandeling. De eerstekeuzemiddelen bij partiële of focale epilepsie zijn carbamazepine (merkloos, Tegretol®), lamotrigine (merkloos, Lamictal®), levetiracetam (merkloos, Keppra®, Matever®), oxcarbazepine (merkloos, Trileptal®) en valproïnezuur (merkloos, Depakine®, Natriumvalproaat, Valproïnezuur FNA). Bij gegeneraliseerde tonisch-clonische vormen van epilepsie zijn lamotrigine, levetiracetam en valproïnezuur de eerstekeuzemiddelen, terwijl ethosuximide (Ethymal®) het eerstekeuzemiddel is bij 'absences' bij kinderen en valproïnezuur bij volwassenen. Niet-classificeerbare vormen van epilepsie worden doorgaans eveneens behandeld met lamotrigine, levetiracetam of valproïnezuur. Afhankelijk van de vorm van epilepsie kan doorgaans met één van deze middelen het ontstaan van aanvallen worden voorkomen. Voorwaarde is dat deze middelen iedere dag worden ingenomen, steeds op hetzelfde tijdstip en precies in de dosis die door de neuroloog is vastgesteld.


Anti-epileptica van keuze bij de behandeling van epilepsie
 

   type epilepsie

eerste keuze

andere keuze

   I   PARTIËLE/FOCALE
       AANVALLEN

 carbamazepine,  lamotrigine,
 levetiracetam, oxcarbazepine,
 valproïnezuur
 clobazam, clonazepam,
 fenytoïne, fenobarbital,
 primidon, brivaracetam,
 gabapentine, lacosamide,
 perampanel, pregabaline
 retigabine, topirimaat,
 zonisamide

 
  II  GEGENERALISEERDE
       AANVALLEN

      absences (‘petit mal’)


      tonisch-klonische
      aanvallen (‘grand mal’)

 

 

 ethosuximide (bij kinderen),
 valproïnezuur (bij volwassenen)

 lamotrigine, levetiracetam,
 valproïnezuur
 

 

 lamotrigine
 

 carbamazepine, clobazam,
 clonazepam, fenobarbital,
 primidon, oxcarbazepine,
 topirimaat

 
 III  NIET-CLASSIFICEERBARE
       AANVALLEN

 
 lamotrigine, levetiracetam,
 valproïnezuur
 clobazam, clonazepam
 topiramaat, permpanel
 
 
IV  STATUS EPILEPTICUS
 
 
 clonazepam, midazolam
 diazepam (in thuissituatie)
 
  diazepam
 

De hierboven genoemde anti-epileptica vormen in feite de basismedicatie bij de behandeling van epilepsie. Toch blijkt in de praktijk dat niet altijd iedere patiënt hiermee optimaal kan worden geholpen. Dat kan te maken hebben dat het gekozen middel toch niet voldoende bescherming biedt tegen het optreden van aanvallen. Maar het kan ook te maken hebben met optreden van hinderlijke of zelfs onaanvaardbare bijwerkingen. Gelukkig zijn er dan nog een flink aantal tweedekeuzemiddelen beschikbaar die als alternatief kunnen worden ingezet. Ze zijn in de onderstaande overzichtstabel vermeld als 'overige middelen'. Als de werkzaamheid van het eerstekeuzemiddel tekortschiet kan één van deze middelen aan de medicatie worden toegevoegd waardoor de behandeling effectiever wordt. Dat wordt 'add-on' medicatie genoemd.

Bijwerkingen
Sufheid, duizeligheid, maag-darmklachten, tremoren, gewichtstoename zijn bijwerkingen die wel eens kunnen optreden, evenals jeuk en huiduitslag. Een ander punt is dat de meeste anti-epileptica de betrouwbaarheid van de anticonceptiepil van het sub- 50-type verminderen. In dergelijke gevallen moet een hoger gedoseerde anticonceptiepil worden voorgeschreven, de zogenoemde 50-pil (zie ook het onderdeel 'anticonceptie' in de sectie 'Seks & Voortplanting'). Een ander probleem is dat diverse frequent toegepaste anti-epileptica, bij gebruik tijdens de zwangerschap, de kans op aangeboren afwijkingen bij de pasgeborene vergroten.

overzicht  medicatie  bij  epilepsie

stofnaam

merknaam®

 toedieningsvorm: sterkte

partiële/focale  aanvallen

carbamazepine


lamotrigine

levetiracetam


oxcarbazepine


valproïnezuur




 

merkloos, Tegretol®


merkloos
, Lamictal®

merkloos
, Keppra®
Matever®

merkloos
, Trileptal®


merkloos, Depakine®
Natriumvalproaat
Valproïnezuur FNA
 

 stroop/suspensie: 20 mg/ml
 tablet (mga*): 100-400 mg
 
 tablet: 2-200 mg
 
 drank: 100 mg/ml
 
tablet: 250, 500 en 1000 mg

 suspensie: 60 mg/ml
 tablet: 300 en 600 mg

 
capsule (mga*): 150-600 mg
 
drank, stroop: 40 en 60 mg/ml
 
druppelvloeistof: 300 mg/ml 
 
granulaat mga*: 100-1000 mg
 tablet (mga*): 150-600 mg
 zetpil: 250 en 500 mg
 
gegeneraliseerde  aanvallen
ethosuximide


lamotrigine

levetiracetam


valproïnezuur

Ethymal®


merkloos
, Lamictal®

merkloos
, Keppra®
Matever®

merkloos, Depakine®
Natriumvalproaat
Valproïnezuur FNA

 capsule: 250 mg
 stroop: 62½ mg/ml

 tablet: 2-200 mg

 drank: 100 mg/ml
 
tablet: 250, 500 en 1000 mg

 capsule (mga*): 150-600 mg
 
drank, stroop: 40, 60 mg/ml
 
druppelvloeistof: 300 mg/ml 
 
granulaat mga*: 100-1000 mg
 tablet (mga*): 150-600 mg
 zetpil: 250 en 500 mg
niet-classificeerbare  aanvallen
lamotrigine

levetiracetam


valproïnezuur




 

merkloos, Lamictal®

merkloos
, Keppra®
Matever®

merkloos, Depakine®
Natriumvalproaat
Valproïnezuur FNA


 

 tablet: 2-200 mg

 drank: 100 mg/ml
 
tablet: 250, 500 en 1000 mg

 capsule (mga*): 150-600 mg
 
drank, stroop: 40 en 60 mg/ml
 
druppelvloeistof: 300 mg/ml 
 
granulaat mga*: 100-1000 mg
 tablet (mga*): 150-600 mg
 zetpil: 250 en 500 mg
overige  anti-epileptica  (tweedekeuzemiddelen)
brivaracetam


clobazam

clonazepam


felbamaat


fenobarbital


fenytoïne



gabapentine


lacosamide


perampanel

pregabaline

primidon

retigabine

rufinamide


stiripentol

topiramaat

vigabatrine

zonisamide

Briviact®


merkloos
, Frisium®

merkloos
, Rivotril®


Taloxa®


merkloos
 Fenobarbital FNA

merkloos
 Diphantoïne Z®
Fenytoïne FNA

merkloos, Neurontin®


Vimpat®


Fycompa®

merkloos
, Lyrica®

Mysoline®

Trobalt®

Inovelon®


Diacomit®

merkloos, Topamax®

Sabril®

merkloos, Zonegran®

 drank: 10 mg/ml
 tablet: 25, 50, 75 en 100 mg
 
 tablet: 10 en 20 mg

 druppelvloeistof: 2½ mg/ml
 tablet: ½ en 2 mg

 suspensie: 120 mg/ml
 tablet: 600 mg
 
 drank: 4 mg/ml
 tablet: 25, 50 en 100 mg
 
 suspensie: 15 mg/ml
 tablet: 23-92 mg


 capsule: 100, 300 en 400 mg
 tablet: 600 en 800 mg
 
 stroop: 10 mg/ml
 tablet: 50 en 150 mg
  
 tablet: 2, 4, 6, 8, 10 en 12 mg
 
 capsule: 25, 75, 150 en 300 mg
 
 tablet: 250 mg

 tablet: 50 en 100 mg
 
 suspensie: 40 mg/ml 
 tablet: 200 en 400 mg
 
 capsule, suspensie: 250 en 500 mg
 
 capsule, tablet: 15-200 mg
  
 drank, tablet: 500 mg
 
 capsule: 25, 50 en 100 mg
status  epilepticus
clonazepam


diazepam


midazolam
 

merkloos, Rivotril®


merkloos
, Stesolid®


merkloos, Dormicum®
 

 injectievloeistof: 1 mg/ml
 
druppelvloeistof: 2½ mg/ml
 
 injectievloeistof: 5 mg/ml
 rectiole: 5 en 10 mg

 oplossing voor injectie of
 rectale toediening: 5 mg/ml
 
neusspray: ½, 1¼ of 2½ mg/dosis
mga* = met gereguleerde afgifte


BLOEDCONCENTRATIES

Voor een juiste instelling van de dosering moet – in de beginfase – regelmatig de concentratie van het middel in het bloed worden bepaald, omdat die doorgaans niet kan worden voorspeld op basis van de gegeven dosis. De bloedconcentratie van het anti-epilepticum moet ook worden bepaald direct na een aanval, als er ondanks een voldoende hoge dosis geen effect is. Ook bij een mogelijke toxische concentratie dient dit te gebeuren, maar ook bij mogelijke interacties met andere medicijnen, bij orgaanfunctiestoornissen of als de patiënt fenytoïne gebruikt.

Bij volwassenen die zijn ingesteld op een anti-epilepticum en die enkele jaren (twee tot vijf jaar) geen aanvallen meer hebben gehad, wordt geprobeerd het medicijn langzaam te verminderen (afbouwen). Bij kinderen wordt dat na twee jaar al geprobeerd.

Status  epilepticus

Bij een status epilepticus – zoals gezegd een levensbedreigende situatie, waarbij de aanval of een serie kort op elkaar volgende aanvallen langer dan tien minuten duurt – moet onmiddellijk worden ingegrepen met middelen die de aanval ogenblikkelijk kunnen afkappen. Dan zijn clonazepam (merkloos, Rivotril®), diazepam (merkloos, Stesolid®) of midazolam (merkloos, Dormicum®) de eerstekeuzemiddelen. Voorwaarde is dat er snel een hoge concentratie van de werkzame stof in het bloed wordt bereikt. Dat kan als deze stoffen rechtstreeks in een ader (intraveneus) worden geïnjecteerd. Een andere mogelijkheid is toediening als druppelvloeistof aan het wangslijmvlies (buccaal), als sprayvloeistof in de neus (nasaal) of als klysmavloeistof in de anus (rectaal). Als er geen arts in de buurt is, moet de partner of een familielid een rectiole (microklysma) met diazepam via de anus toedienen (zie ook toedieningsinstructie microklysma hieronder).


Koortsstuipen  bij  kinderen

Een koortsstuip (koortsconvulsie) bij kinderen is een korte aanval (korter dan vijftien minuten) van spiertrekkingen en spierkramp. Zo’n stuip komt nogal eens voor bij kinderen tussen 6 maanden en 5 jaar oud die koorts hebben. Uit een uitgebreid onderzoek bleek dat ongeveer 5 procent van alle kinderen ooit een koortsstuip heeft gehad. Het optreden van een koortsstuip hoeft niets te maken te hebben met epilepsie of andere neurologische aandoeningen. Alleen als een kind er vaker last van heeft, zal een verwijzing naar de neuroloog nodig zijn.

Uiteraard raken ouders behoorlijk overstuur als hun kind voor de eerste keer een koortsstuip heeft. De gewaarschuwde huisarts zal, als het kind bij aankomst nog stuipen vertoont, meteen een microklysma (rectiole) met diazepam (merkloos, Stesolid®) toedienen. Een microklysma is een flacon van zacht plastic met een lange tuit, waarin zich een kleine hoeveelheid vloeistof met werkzame stof bevindt. De vloeistof wordt via de anus toegediend door de tuit van de flacon zo diep mogelijk in de aarsopening te plaatsen en de flacon helemaal leeg te knijpen. Als diazepam op deze manier wordt toegediend, kunnen de stuipen binnen enkele minuten verminderen of zelfs helemaal verdwijnen. Meestal laat de arts een microklysma bij de ouders achter voor het geval er nogmaals een aanval van koortsstuipen ontstaat. Heeft het kind nog (hoge) koorts, dan schrijft hij zeker ook een recept uit voor paracetamol (merkloos, Daro Paracetamol®, Kinderparacetamol®, Panadol®, Pinex®, Sinaspril Paracetamol®) om de koorts te onderdrukken (zie ook kleine pijnstillers in het onderdeel 'Pijnstillers' in de sectie 'Pijn & Pijnbestrijding'). Of daarmee hernieuwde koortsstuipen effectief kunnen worden voorkomen is echter nooit aangetoond.

overzicht  medicatie  bij  koortsstuipen

stofnaam

merknaam®

 toedieningsvorm: sterkte
diazepam

merkloos, Stesolid®

 rectiole: 5 en 10 mg
paracetamol


 

merkloos, Daro Paracetamol® Kinderparacetamol®
Panadol®, Pinex®
 Sinaspril Paracetamol®

 smelttablet: 125 en 250 mg
 stroop: 24 mg/ml
 kauwtablet: 120 mg
 zetpil: 60-250 mg


Toedieningsinstructie
 voor een microklysma
(rectiole)
 

 

  1. Leg het kind op een zij
    met hoog opgetrokken knieën.

  2. Breng de tuit van de
    flacon zo diep mogelijk
    in de anus.

  3. Knijp de flacon volledig
    leeg.

  4. Trek de flacon terug,
     maar houd hem (onder
    de tuit) dichtgeknepen
    om te voorkomen dat
    de vloeistof terugloopt.

Steun 'Medicijnen op Maat':  een  OPROEP !

Externe links:
    https://www.thuisarts.nl (Thuisarts.nl; Nederlands Huisartsen Genootschap)
    https://www.hersenstichting.nl (Hersenstichting)
    https://www.farmacotherapeutischkompas.nl (Farmacotherapeutisch Kompas)
    https://www.ge-bu.nl (Geneesmiddelenbulletin)

Terug