Terug

MEDICIJNEN  op  MAAT

 HomeAlgemeenZiektenMedicijnen

INFECTIEZIEKTEN

ZIEKTEVERWEKKERS  &  ANTIBIOTICA

INHOUD

 ziekteverwekkers  &  antibiotica
 • Nuttige en schadelijke micro-organismen
 • Pasteur brengt licht in de duisternis
 •
Een bijzondere ontdekking
 
Antibacterieel  spectrum
 •
Welk antibioticum?
 •
Resistentie
 •
Hoe lang gebruiken?
 •
Bijwerkingen
 
De  belangrijkste  antibiotica
   ▪
penicillinen
   ▪
cefalosporinen
   ▪
tetracyclinen
   ▪
macroliden
   ▪
sulfonamiden
   ▪
urinewegantibiotica
   ▪
chinolonen
   ▪ aminoglycosiden
   ▪
tuberculosemiddelen
   ▪
antimycotica
   ▪
antivirale middelen
   ▪ malariamiddelen
   wormmiddelen
   ▪
overige middelen

Nuttige  en  schadelijke  micro-organismen
Vele soorten, microscopisch kleine organismen (micro-organismen) zijn in staat onze gezondheid te bedreigen. Het gaat om virussen, bacteriën, schimmels of eencellige parasieten (ook wel protozoën genoemd). Maar men moet vooral niet denken dat alle micro-organismen schadelijk zijn. Overal om ons heen, in de lucht, in het water en in de grond, maar ook op onze huid en op vele andere plaatsen in het lichaam, krioelt het immers van deze onooglijke wezentjes. De meeste doen gelukkig helemaal geen kwaad. Integendeel, ze zijn erg nuttig voor ons en voor onze omgeving. Denk maar aan de bacteriën die in ons maag-darmkanaal huizen en ons helpen bij de vertering van het voedsel. Deze darmbewoners noemt men de darmflora. Of denk aan de bacteriën in de huid en de slijmvliezen (mond, vagina) die ervoor zorgen dat schimmels niet de boventoon gaan voeren.

Sommige micro-organismen kunnen ons echter behoorlijk ziek maken. Deze ziekteverwekkers dringen het lichaam binnen via de luchtwegen of een andere lichaamsopening en proberen zich in zo kort mogelijke tijd te vermenigvuldigen. Meestal herkent ons afweersysteem deze boosdoeners, waarna het zal proberen ze onschadelijk te maken door de vorming van afweerstoffen (antistoffen) en door de mobilisatie van afweercellen (witte bloedcellen). Als de indringers ondanks deze tegenmaatregelen zich toch handhaven en zich blijven vermenigvuldigen, spreekt men van een infectie. Dan treden meestal pijn en koorts op, vaak gevolgd door een gestoorde functie van het weefsel of orgaan dat geïnfecteerd is. Behalve de ziekteverwekkers die van buiten het lichaam komen, zijn er – zoals gezegd – ook micro-organismen die in ons lichaam thuishoren.
Onder normale omstandigheden veroorzaken deze vaste logés dan ook geen ziekteverschijnselen. In bepaalde situaties – bijvoorbeeld als de weerstand van ons lichaam tijdelijk daalt – kunnen zij echter ook infecties veroorzaken. Steenpuisten (door stafylokokkenbacteriën in de huid) en urineweginfecties (door Escherichia coli-bacteriën uit de darm) zijn daarvan goede voorbeelden. Ons lichaam kan eventuele infecties vrijwel altijd zelf de baas. Denk maar aan een verkoudheid of griep. Soms schiet onze afweer echter tekort. De infectie kan dan zó ernstig worden dat er beschadigingen van weefsels of organen ontstaan waardoor het leven wordt bedreigd. In die gevallen moeten geneesmiddelen het lichaam te hulp schieten.

Pasteur  brengt  licht  in  de  duisternis
Vóór 1935 waren er, behalve kinine tegen malaria en salvarsan (een zeer giftig, arsenicumbevattend preparaat uit 1910) tegen syfilis, geen werkzame medicijnen tegen infectieziekten. Het heeft ook heel lang geduurd voor men de eigenlijke oorzaak van infectieziekten ontdekte. Antoni van Leeuwenhoek had in 1676 met zijn zelfgemaakte microscopen al bacteriën en protozoën gezien, maar hun betekenis voor de ziekteleer heeft hij nooit beseft. Tot diep in de negentiende eeuw geloofde men dat een besmetting het gevolg was van blootstelling aan ‘miasmen’: uitwasemingen van rottende stoffen. Ook dacht men dat lagere organismen spontaan uit levenloze stof ontstonden; dit noemde men de generatio spontanea. Toch waren er ook al aanhangers van de theorie dat besmetting werd veroorzaakt door een ‘contagium vivum’, een levende smetstof. De Franse chemicus en bacterioloog Louis Pasteur (1822-1895) heeft door zijn baanbrekende experimenten uiteindelijk licht gebracht in deze eeuwenlange duisternis. Zo toonde hij aan dat gistingsprocessen (onder andere melkzuur- en alcoholgisting) door micro-organismen worden veroorzaakt. Op basis hiervan bewees hij dat voedingsmiddelen en dranken door gecontroleerde verwarming (pasteurisatie) langer goed konden worden gehouden. Nadat omstreeks de jaren zeventig van de negentiende eeuw de bacteriologische ontdekkingen elkaar in snel tempo opvolgden, was aan het begin van de twintigste eeuw een groot aantal ziekteverwekkers geïdentificeerd. Daarmee was de weg vrijgemaakt voor een gerichte aanpak, want het was nu in theorie mogelijk infecties te bestrijden door de ziekteverwekkers te doden.

Een  bijzondere  ontdekking
In 1928 deed de Britse arts-bacterioloog Alexander Fleming een bijzondere ontdekking. Hij zag dat een van de voedingsbodems waarop hij een bepaalde bacterie had gekweekt, namelijk de Staphylococcus aureus, geïnfecteerd was met een merkwaardige schimmel. Het bijzondere was dat rondom deze schimmel een bacterievrije zone was ontstaan. Dr. Fleming trok hieruit de conclusie dat de schimmel blijkbaar een product kan afscheiden dat bacteriën om zeep helpt. Pogingen om van de nieuwe stof, die inmiddels ‘penicilline’ was genoemd (afgeleid van de naam van de schimmel Penicillium notatum), een medisch toepasbare vorm te maken, zouden echter nog jaren in beslag nemen.
Pas halverwege de Tweede Wereldoorlog was de penicillineproductie in Amerika zodanig omvangrijk dat het middel op grote schaal aan het front in Noord-Afrika kon worden toegepast. Daarmee begon in feite de triomftocht van de antibiotica in de geneeskunde.

Het woord ‘antibioticum’ is afkomstig van het Griekse woord antibiose (anti = tegen en bios = leven). In ruimere zin betekent het de ongunstige invloed die (micro-)organismen op elkaar uitoefenen. Een antibioticum is dan ook een stof die door een levend micro-organisme wordt geproduceerd en andere micro-organismen kan doden of de groei ervan kan remmen. Ook chemisch bereide stoffen hebben deze eigenschappen, maar dan spreekt men van chemotherapeutica. Omdat tegenwoordig verscheidene antibiotica geheel of gedeeltelijk chemisch worden bereid, is het verschil nauwelijks meer van belang.

De meeste antibiotica werken alleen tegen bacteriën; tegen virussen zijn ze meestal niet effectief. Het heeft dus absoluut geen zin bij een verkoudheid of griep, die beide door een virus worden veroorzaakt, antibiotica te gebruiken. Men zegt wel eens spottend dat een griep mét antibiotica een week duurt en zónder antibiotica zeven dagen.
Tegen virusinfecties is tot nu toe maar weinig kruid gewassen. Bij de bestrijding van virusinfecties ligt de nadruk dan ook op het voorkómen van de ziekte. Dat doet men door de afweer een handje te helpen, namelijk door het opwekken van afweerstoffen met vaccins. Tegen infecties met schimmels en protozoën (bijvoorbeeld de parasiet die malaria veroorzaakt) zijn weer andere middelen werkzaam.


Een microscopische opname van een penicillineproducerende schimmel (
Penicillium notatum).


Antibacterieel  spectrum

Een antibioticum werkt niet tegen alle typen bacteriën. Er zijn antibiotica die slechts enkele soorten bacteriën bestrijden: die noemt men smalspectrumantibiotica. Daarnaast bestaan er antibiotica die tegen veel méér bacteriesoorten werkzaam zijn: dat zijn breedspectrumantibiotica. Een belangrijk aspect hierbij is het onderscheid tussen zogenaamde grampositieve en gramnegatieve bacteriën. Dit onderscheid wordt vastgesteld via een bepaalde methode om bacteriën te kleuren - de zogenaamde Gram-kleuring, ontwikkeld door de Deense microbioloog Gram - en om ze onder een lichtmicroscoop zichtbaar te maken. Het verschil in kleuring - gramnegatief = rood en grampositief = blauwpaars - heeft te maken met de structuur van de celwand van de bacterie en daaruit voortvloeiende de gevoeligheid van de bacterie voor antibiotica. Grampositieve bacteriesoorten zijn bijvoorbeeld stafylokokken die zich doorgaans in de huid bevinden, of streptokokken, die vaak in de luchtwegen zijn te vinden. Voorbeelden van gramnegatieve bacteriën zijn colibacteriën die zich normaliter altijd in het darmkanaal bevinden als onderdeel van de darmflora, maar als ze - om welke reden dan ook - in de urinewegen terechtkomen hele vervelende urineweginfecties kunnen veroorzaken. Een ander voorbeeld van gramnegatieve bacteriën zijn salmonellabacteriën. Indien ze via verontreinigd drinkwater of besmet voedsel het lichaam binnenkomen kunnen zich gevaarlijke darminfecties ontwikkelen zoals buiktyfus of paratyfus. Als bepaalde typen antibiotica alleen werkzaam zijn tegen grampositieve bacteriesoorten zoals stafylokokken en streptokokken, dan noemen we ze smalspectrumantibiotica. Zijn ze daarentegen werkzaam tegen zowel grampositieve als gramnegatieve bacteriesoorten dan noemen we ze breedspectrumantibiotica.

Een goede arts zal - indien mogelijk - bij voorkeur een smalspectrumantibioticum geven. Breedspectrumantibiotica vernietigen namelijk veel méér dan alleen de bacteriën waardoor men ziek is geworden. Ook de vaste logés in de darmen leggen dan het loodje! De gevolgen van het gebruik van breedspectrumantibiotica kan men zich makkelijk voorstellen: diarree en andere klachten van het maag-darmkanaal komen dan frequent voor.

Welk  antibioticum?
Het is voor een arts niet altijd gemakkelijk te bepalen welk antibioticum hij bij een bepaalde infectie moet geven. Van belang is dat in ieder geval de ziekteverwekker én zijn gevoeligheid voor antibiotica bekend zijn. Soms kan op basis van de diagnose worden vastgesteld welke bacterie de infectie heeft veroorzaakt. Dat is bijvoorbeeld het geval bij ziekten als roodvonk, tetanus, lepra en syfilis. In andere gevallen kan met behulp van een gekleurd uitstrijkpreparaat (vaak een zogenaamde Gramkleuring, zie ook antibacterieel spectrum) van ontstekingsvocht of slijm en met een microscoop worden bepaald om welke boosdoener het gaat.

Bij ernstige infecties is vaak uitgebreider bacteriologisch onderzoek noodzakelijk. Niet alleen om de verwekker te identificeren, maar vooral ook om de gevoeligheid van de verwekker voor diverse antibiotica vast te stellen. Er wordt dan een zogenoemd antibiogram gemaakt. Op basis van deze gegevens kan de patiënt het meest werkzame antibioticum gaan gebruiken.

Resistentie
Micro-organismen kunnen een eigen afweer maken tegen antibiotica die tegen hen worden ingezet. Ze worden dan ongevoelig of resistent tegen deze middelen. Dat kan tot ernstige situaties leiden, vooral als één bepaalde ziekteverwekker tegen verschillende antibiotica resistent wordt. Een dergelijke situatie kan men zo veel mogelijk voorkomen door het gebruik van antibiotica tot het uiterste te beperken. Dus door geen antibiotica te slikken als het niet strikt noodzakelijk of zelfs volledig zinloos is, zoals bij een virusinfectie. Verder is het van belang dat alle ziekteverwekkers in één kuur met het geschikte antibioticum worden uitgeschakeld. Wanneer dat niet gebeurt, kan de infectie na enige tijd opnieuw opvlammen en is dan veel moeilijker te bestrijden door de aanwezigheid van resistent geworden bacteriën.

Hoe  lang  gebruiken?
Een kuur met antibiotica duurt vaak vijf tot zeven dagen, soms iets langer. Bij bepaalde infecties kan met een éénmalige dosering worden volstaan, bijvoorbeeld bij gonorroe (‘druiper’) of bij een blaasontsteking. De patiënt krijgt dan wel een hoge dosering van het antibioticum, waarvan in de praktijk gebleken is dat die net zo effectief is als een meerdaagse lagere dosering. In uitzonderingsgevallen moeten infecties zeer langdurig met antibiotica worden behandeld, zoals tuberculose, waarbij de behandeling zes tot negen maanden kan duren.

Bijwerkingen
De meest gangbare antibiotica zijn zeer veilig, maar tijdens het gebruik kunnen – zoals ook bij andere geneesmiddelen – bijwerkingen optreden. Klachten van het maag-darmkanaal komen nogal eens voor, meestal als gevolg van een verstoring van de bacteriën die een rol spelen bij de voedselvertering. Deze klachten uiten zich dan als misselijkheid, buikpijn, kramp, braken, winderigheid of diarree. Een ander type bijwerking van antibiotica is huiduitslag met jeuk. Deze bijwerking is meestal gebaseerd op allergie. Het vreemde van allergie is dat die zich pas kan voordoen als de patiënt het middel al vele malen heeft gebruikt, maar ook al bij de tweede keer. Is er sprake van allergie, dan moet een antibioticum uit een andere groep worden gebruikt. De allergie kan erg lang blijven bestaan, vaak zelfs levenslang.


De  belangrijkste  antibiotica

Hieronder volgt een opsomming van de belangrijkste typen antibiotica (en chemotherapeutica) waarover we tegenwoordig kunnen beschikken.

Penicillinen
Deze antibiotica zijn het langst bekend (vanaf de jaren veertig van de vorige eeuw) en worden eigenlijk nog steeds het meest toegepast. Ze behoren tot de veiligste geneesmiddelen die we kennen. In Nederland worden ze uitsluitend inwendig (dus via de mond of injecties) gebruikt. Uitwendig (bijvoorbeeld in zalven of oogdruppels) worden ze nooit meer toegepast in verband met een verhoogd risico op het ontstaan van allergie. Penicillinen behoren samen met de cefalosporinen tot de zogenaamde bètalactamantibiotica. Dit heeft te maken met het feit dat dit type antibiotica in hun moleculaire structuur allemaal een zogenaamde bètalactamring hebben die essentieel is voor hun antibiotische werking.

Er zijn smalspectrum- en breedspectrum-penicillinen (zie ook antibacterieel spectrum). Tot de eerste groep behoren benzylpenicilline (merkloos, Penicilline G) en benzathinebenzylpenicilline (merkloos), die alleen per injectie kunnen worden toegediend. De middelen uit deze groep die oraal (dus via de mond) worden toegepast zijn feneticilline (Broxil®), fenoxymethylpenicilline (merkloos) en flucloxacilline (merkloos, Floxapen®). Ze veroorzaken heel weinig bijwerkingen. De enige bijwerking die tot problemen kan leiden, is overgevoeligheid of allergie. Toch is een dergelijke penicillineallergie vrij zeldzaam: bij hooguit 1% van de personen die ooit een penicillinepreparaat hebben gebruikt, is penicillineallergie geconstateerd. De klachten beperken zich dan meestal tot huidreacties (roodheid, blaasjes) en jeuk.

Tot de breedspectrum-penicillinen behoren amoxicilline (merkloos), piperacilline en tazobactam. Amoxicilline is een van de meest voorgeschreven antibiotica ooit. Het kan zowel oraal (dus via de mond) als per injectie worden toegediend. De laatste jaren wordt amoxicilline vaak gecombineerd met clavulaanzuur (de combinatie heet dan Augmentin® of is merkloos). Dit vanwege de verminderde gevoeligheid van bepaalde bacteriën voor amoxicilline. Het clavulaanzuur in de combinatie remt het enzym in de bacterie dat verantwoordelijk is voor de verminderde gevoeligheid, zodat de combinatie nog steeds heel goed werkzaam is. Piperacilline en tazobactam kunnen alleen per injectie worden toegediend. In Nederland zijn beide middelen alleen verkrijgbaar als combinatiepreparaat: piperacilleine/tazobactam (merkloos, Tazocin®). Dit preparaat wordt beschouwd als een belangrijk 'reserve' middel en wordt dan ook weinig gebruikt.

Amoxilline
veroorzaakt meer bijwerkingen dan de smalspectrum-penicillinen. Behalve maag-darmklachten (vooral diarree) door beïnvloeding van de darmflora en huiduitslag door een allergische reactie, kan het gebruik van amoxicilline ook een mazelenachtige huiduitslag veroorzaken, die echter niet op een echte allergie berust. Dit laatste verschijnsel is vaak éénmalig; als het gebruik gestaakt wordt, kan het middel een volgende keer meestal zonder problemen weer worden ingenomen. Bij een echte allergie kan dat niet.

overzicht  penicillinen

stofnaam

merknaam®

 toedieningsvorm: sterkte
smalspectrum-penicillinen
benzathinebenzylpenicilline

benzylpenicilline


feneticilline


fenoxymethylpenicilline

flucloxacilline

 

merkloos

merkloos
Penicilline G

Broxil®


merkloos

merkloos
Floxapen®
 

 injectievloeistof: 1,2 milj. IE

 injectievloeistof:
1 en 10 milj. IE


 capsule:
250 en 500 mg
 suspensie:
25 mg/ml
 
 capsule:
250 mg
 
 capsule:
250 en 500 mg
 injectievloeistof:
250-2000 mg
 
suspensie: 25 mg/ml
breedspectrum-penicillinen
amoxicilline



 

merkloos



 

 capsule: 375 en 500 mg
 infusievloeistof:
2000 mg
 injectievloeistof:
250-1000 mg
 suspensie:
25, 50 en 100 mg/ml
 tablet:
250-1000 mg
Combinatiepreparaten
amoxicilline/clavulaanzuur



piperacilline/tazobactam
 


merkloos
Augmentin®


merkloos
Tazocin®

 
 injectievlst.:
500/50-2000/200 mg
 suspensie:
25/6½-100/12½ mg/ml
 tablet:
250/62½-875/125 mg

 infusievloeistof:
        
2000/250-4000/500 mg/flacon


Cefalosporinen
Deze antibiotica lijken wat chemische structuur en eigenschappen betreft sterk op de penicillinen. Ze worden echter veel minder vaak toegepast omdat ze achter de hand worden gehouden voor de behandeling van infecties die (levens)gevaarlijk zijn of (erg) moeilijk te bestrijden zijn, meestal als gevolg van resistentieontwikkeling. Het werkingsspectrum van de cefalosporinen loopt nogal uiteen. Er zijn preparaten met een niet al te breed antibacterieel werkingsspectrum (zie ook antibacterieel spectrum) zoals cefalexine (Keforal®) dat oraal toepasbaar is, en cefazoline (merkloos, Kefzol®) dat alleen per injectie kan worden toegediend; ze worden cefalosporinen van de eerste generatie genoemd.

De tweede generatie heeft een iets breder spectrum: het oraal werkzame cefaclor (merkloos, Ceclor®) en cefuroximaxetil (Zinnat®) en het parenteraal (per injectie) werkzame cefamandol (Mandol®) en cefuroxim (merkloos). De preparaten van de derde generatie hebben het breedste werkingsspectrum: het oraal werkzame ceftibuten (Cedax®) en het parenteraal werkzame cefotaxim (merkloos), ceftazidim (merkloos, Fortum®) en ceftriaxon (merkloos, Rocephin®).
De bijwerkingen van de cefalosporinen lijken sterk op die van de penicillinen en zijn dus gering, terwijl de kans op overgevoeligheid en allergie geringer is dan bij de penicillinen.

overzicht  cefalosporinen

stofnaam

merknaam®

 toedieningsvorm: sterkte
eerstegeneratie  cefalosporinen
cefalexine

cefazoline

Keforal®

merkloos, Kefzol®

 tablet: 500 mg
  
 injectievloeistof:
1 g
tweedegeneratie  cefalosporinen
cefaclor


cefamandol

cefuroxim


cefuroximaxetil
 

merkloos, Ceclor®


Mandol®

merkloos


Zinnat®
 

 capsule, tablet: 250 en 500 mg
 suspensie:
25 mg/ml
 
 injectievloeistof:
1 en 2 g
 
 injectievloeistof:
250-1500 mg
 infusievloeistof:
1500 mg
 
 suspensie:
25 mg/ml
 tablet:
250 en 500 mg
derdegeneratie  cefalosporinen
cefotaxim

ceftazidim

ceftibuten

ceftriaxon

merkloos

merkloos, Fortum®

Cedax®

merkloos, Rocephin®

 injectievloeistof: 500-2000 mg
 
 injectievloeistof: 500-2000 mg
 
 capsule:
400 mg; susp.: 36 mg/ml
 
 injectie/infusievlst.:
500-2000 mg

 
Tetracyclinen
Dit zijn antibiotica met het breedste antibacteriële spectrum (zie ook antibacterieel spectrum). Desondanks zijn ze bij veel infectieziekten geen eerste keuze omdat ze nogal veel bijwerkingen veroorzaken. De kans op maag-darmklachten is vrij groot, vooral omdat tetracyclinen een antibiotische werking op de darmflora hebben. Ze mogen beslist niet aan zwangere vrouwen worden voorgeschreven, omdat ze een schadelijke werking hebben op de skeletgroei van de ongeboren vrucht. Ook door kinderen jonger dan 12 jaar mogen ze niet worden gebruikt. De kans bestaat dat het gebit geelbruin verkleurt, terwijl er een grotere kans op cariës (tandbederf) is. Het orale gebruik (via de mond) van tetracyclinen in combinatie met zonlicht kan soms tot huidafwijkingen leiden; men spreekt dan van fotodermatitis. Een dergelijke afwijking uit zich als eczeem (zie ook zonlicht & oververhitting in de sectie 'Verre reizen & Gezondheid') op de huiddelen die aan zonlicht zijn blootgesteld.

Vertegenwoordigers uit deze groep antibiotica zijn doxycycline (merkloos, Doxy Disp®, Efracea®, Vibramycin®), minocycline (merkloos), tetracycline (merkloos, Tetracycline FNA), tetracycline cutaan (merkloos, Tetracycline FNA) en tigecycline (Tygacil®). De bekendste en meest gebruikte is doxycycline. Bij bacteriële ooginfecties zijn oogdruppels of oogzalven met tetracycline wel vaak eerste keuze. Uiteraard is door de lokale toediening de kans op bijwerkingen dan vrijwel uitgesloten. Tigecycline is alleen als infusievloeistof verkrijgbaar en wordt uitsluitend gebruikt in het ziekenhuis bij gecompliceerde infecties van huid en weke delen.

overzicht  tetracyclinen

stofnaam

merknaam®

 toedieningsvorm: sterkte
doxycycline



minocycline

tetracycline



tigecycline

merkloos, Doxy Disp®
Efracea®
, Vibramycin®


merkloos

merkloos
Tetracycline FNA


Tygacil®

 capsule mga*: 40 mg
 
tablet: 100 mg
 injectievloeistof:
20 mg/ml
 
 tablet:
50 en 100 mg
 
 capsule:
250 mg
 oogdruppels/oogzalf:
0,5%/1%
 
crème, smeersel, zalf: 1 en 3%
 
 infusievloeistof:
50 mg
mga* = met gereguleerde afgifte


Macroliden
Het gaat hier om hele nuttige antibiotica met als oudste (uit 1952) en wellicht bekendste vertegenwoordiger erytromycine (merkloos, Erythrocine®, Erythrocine-ES®). Erytromycine heeft een  antibacterieel spectrum dat vrijwel gelijk is aan dat van smalspectrumpenicillinen en is dan ook een goed alternatief voor mensen die allergisch zijn voor penicillinen. Ook wordt het nogal eens gebruikt bij bepaalde vormen van longontsteking, die ongevoelig zijn voor penicillinen. De bijwerkingen zijn in het algemeen niet ernstig van aard en treden niet erg vaak op. Wél kunnen soms hinderlijke maag-darmstoornissen ontstaan: misselijkheid, buikpijn, kramp, braken, winderigheid en diarree.

De nieuwere macroliden als azitromycine (merkloos, Zithromax®), claritromycine (merkloos, Klacid®) en roxitromycine (merkloos) hebben gunstiger eigenschappen en veroorzaken minder maag-darmproblemen dan erytromycine. Tegenwoordig is azitromycine het meest voorgeschreven macrolidepreparaat vanwege de kortere behandelingsduur (doorgaans drie dagen), de éénmaaldaagse toedieningsfrequentie en de goede verdraagbaarheid.
In het rijtje macroliden hoort doorgaans ook clindamycine (merkloos, Dalacin C®) te staan. Hoewel strikt genomen clindamycine niet tot de macroliden behoort, hebben ze heel veel met elkaar gemeen, zowel qua antibacteriële werking als qua bijwerkingen.

Erytromycine (merkloos, Inderm®, Zineryt®) en clindamycine (merkloos, Clindamycine Lotion FNA, Dalacin-T®) zijn antibiotica die, indien verwerkt in een lotion of gel, in aanmerking komen te worden toegepast bij acne als er sprake is van matig ernstige ontstekingsverschijnselen, dus bij roodheid en gele puskopjes en pukkels (zie ook acne in de sectie 'Huidaandoeningen'). Azitromycine en erytromycine worden ook toegepast bij ooginfecties; ze zijn dan verwerkt in oogdruppels respectievelijk oogzalf en verkrijgbaar onder de namen Azyter® respectievelijk Erytromycine FNA.

overzicht  Macroliden

stofnaam

merknaam®

 toedieningsvorm: sterkte
azitromycine


claritromycine



erytromycine





roxitromycine

merkloos, Zithromax®


merkloos, Klacid®


merkloos, Erythrocine®
Erythrocine-ES®




merkloos

 suspensie: 40 mg/ml
 tablet:
250 en 500 mg
 
 suspensie:
25 en 50 mg/ml
 tablet (mga*):
250 en 500 mg
 
 infusievloeistof:
1000 mg
 
sachet (voor suspensie):
                 500 en 1000 mg

 suspensie:
25 en 50 mg/ml
 tablet:
250 en 500 mg
 
 tablet:
150 en 300 mg
clindamycine

 

merkloos, Dalacin C®

 

 capsule: 150 en 300 mg
 injectievloeistof:
150 mg/ml
 suspensie:
15 mg/ml
Huidpreparaten
erytromycine


clindamycine

 

merkloos, Inderm®
 Zineryt®

merkloos
Clindamycine FNA
Dalacin-T®

 applicatievloeistof: 1 en 4%
 
 
 huidgel, lotion, oplossing:
1%
 vaginaal crème: 20 mg/g

 
Oogpreparaten
azitromycine

erytromycine

Azyter®

merkloos, Erytromycine FNA

 oogdruppels: 1,5%
 
 
oogzalf: 0,5%
mga* = met gereguleerde afgifte


Sulfonamiden
Deze middelen worden ook wel sulfa’s genoemd en zijn al tamelijk oud, eigenlijk nog ouder dan de penicillinen. Het eerste sulfapreparaat (prontosil rubrum) werd al in 1935 in de handel gebracht. Sulfonamiden zijn eigenlijk geen antibiotica, maar chemotherapeutica; het zijn dus synthetische stoffen. Hun werking verschilt echter weinig van die van echte antibiotica. Door het vele ge(mis)bruik zijn veel bacteriën resistent tegen sulfonamiden geworden. Ze worden zelden nog bij urineweginfecties gebruikt, waar ze vroeger vaak voor werden voorgeschreven.

Het combinatiemiddel cotrimoxazol (merkloos, Bactrimel®) - een combinatie van trimethoprim en sulfamethoxazol - is echter nog onverminderd werkzaam en wordt niet alleen nog steeds bij de wat ernstiger urineweginfecties gebruikt, maar ook bij andere (long)infecties. Bijwerkingen van deze combinatie zijn maag-darmstoornissen (misselijkheid, braken, diarree) en huidreacties (roodheid, bultjes, jeuk).

Op brandwonden (tweede- en derdegraads verbrandingen) wordt vaak een crème met daarin het sulfonamide zilversulfadiazine (merkloos, Flammazine®) of het combinatiepreparaat zilversulfadiazine/ceriumnitraat (Flammacerium®) aangebracht om infectie te voorkomen (zie ook brandwonden in het onderdeel 'Wondbehandeling' in de sectie 'Huidaandoeningen').


Urinewegantibiotica
Dit zijn middelen tegen ongecompliceerde urineweginfecties zoals blaasontsteking (zie ook urineweginfecties in de sectie 'Nieren & Urinewegen'). De meest gebruikte middelen zijn trimethoprim (merkloos) dat ook in co-trimoxazol (zie hierboven) zit, en nitrofurantoïne (merkloos, Furabid®, Furadantine MC®, Nitrofurantoïne suspensie LNA). Meestal hoeven deze middelen niet langer dan drie tot vijf dagen te worden gebruikt. Ze veroorzaken dan weinig bijwerkingen. Beide middelen kunnen maag-darmstoornissen (misselijkheid, braken) geven, die gedeeltelijk te voorkomen zijn door ze tijdens of vlak na de maaltijd in te nemen. Trimethoprim kan tevens jeuk en huiduitslag geven. Fosfomycine (Monuril®) wordt in een éénmalige (hoge) dosering gegeven en is dan eveneens effectief. Tijdens de zwangerschap mogen trimethoprim en fosfomycine niet worden gebruikt. Dan wordt meestal het combinatiepreparaat amoxicilline/clavulaanzuur (merkloos, Augmentin®, Forcid®) of nitrofurantoïne gegeven.

overzicht  sulfonamiden/urinewegantibiotica

stofnaam

merknaam®

 toedieningsvorm: sterkte
cotrimoxazol



fosfomycine

nitrofurantoïne



trimethoprim

merkloos, Bactrimel®



Monuril®

merkloos, Furabid®
Furadantine MC®
Nitrofurantoïne LNA

merkloos

 infusievloeistof: 96 mg/ml
 suspensie:
48 mg/ml
 tablet:
120, 480 en 960 mg
 
 poeder in sachet:
3 g
 
 capsule (mga*):
50 en 100 mg
 suspensie:
5 en 10 mg/ml
 
 
 tablet:
100 en 300 mg
zilversulfadiazine

zilversulfadiazine/
    /ceriumnitraat

merkloos, Flammazine®

Flammacerium®
 

 crème: 1%

 crème: 10/22 mg/g
 
mga* = met gereguleerde afgifte


Chinolonen
Dit zijn antibiotica die vooral werkzaam zijn tegen zogenaamde  gramnegatieve bacteriën (zie ook antibacterieel spectrum), waardoor ze vaak worden ingezet bij urineweginfecties en darminfecties, maar ook bij bepaalde longinfecties en SOA zijn ze goed bruikbaar. Tot de chinolonen behoren ciprofloxacine (merkloos, Ciproxin®), levofloxacine (merkloos, Tavanic®), moxifloxacine (merkloos, Avelox®), norfloxacine (merkloos), ofloxacine (merkloos) en pipemidinezuur (Pipram®). Norfloxacine en pipemidinezuur zijn alleen nog bruikbaar (maar geen eerste keuze!) bij ongecompliceerde urineweginfecties (blaasontsteking). De andere zijn ook te gebruiken bij gecompliceerde urineweginfecties zoals prostatitis en nierbekkenontsteking (zie ook urineweginfecties in de sectie 'Nieren & Urinewegen').

De chinolonen moxifloxacine en ofloxacine worden ook gebruikt in de oogheelkunde en wel bij de behandeling van bacteriële conjunctivitis (in de sectie 'Oog- & Ooraandoeningen'). Ze zijn verkrijgbaar onder de merknamen Vigamox® respectievelijk Trafloxal®.

Over het algemeen worden chinolonen goed verdragen; desondanks kunnen er wel degelijk bijwerkingen optreden. De kans op maag-darmstoornissen (misselijkheid, diarree) is het grootst, de kans op neurologische bijwerkingen (duizeligheid, hoofdpijn, slaapstoornissen) en huidreacties is een stuk kleiner. Het gebruik bij zwangere vrouwen en kinderen in de groeifase wordt ontraden wegens een mogelijk remmend effect op de vorming van kraakbeen.

overzicht  chinolonen

stofnaam

merknaam®

 toedieningsvorm: sterkte
ciprofloxacine



levofloxacine


moxifloxacine


norfloxacine

ofloxacine

pipemidinezuur

merkloos, Ciproxin®



merkloos, Tavanic®


merkloos, Avelox®


merkloos

merkloos

Pipram®

 infusievloeistof: 2 mg/ml
 suspensie:
50 en 100 mg/ml
 tablet:
250, 500 en 750 mg
 
 infusievloeistof:
5 mg/ml
 tablet:
250 en 500 mg
 
 infusievloeistof:
1,6 mg/ml
 tablet:
400 mg
 
 tablet:
400 mg
 
 tablet:
200 en 400 mg
 
 tablet:
400 mg
Oogpreparaten
moxifloxacine

ofloxacine

Vigamox®

merkloos, Trafloxal®

 oogdruppels: 0,5%

 oogdruppels, oogzalf: 0,3%


Aminoglycosiden
Hoewel deze antibiotica niet vaak worden voorgeschreven en veel (ernstige) bijwerkingen kunnen veroorzaken, zijn ze wel erg belangrijk met name in het ziekenhuis. Ze kunnen namelijk levensreddend zijn bij moeilijk te bestrijden, ernstige infecties waarvan de verwekker nog niet bekend is en waar - vanwege het acute gevaar - snel moet worden ingegrepen. Amikacine (merkloos), gentamicine (merkloos) en tobramycine (merkloos, Obracin®) zijn de middelen die voor dergelijke ernstige infecties worden gebruikt. Bij ernstige, levensbedreigende infecties worden ze uitsluitend per injectie, meestal als intraveneus infuus (dus rechtstreeks via een ader) toegediend.

Hersenvliesontsteking (meningitis), bloedvergiftiging (sepsis) en hartinfectie (endocarditis) zijn belangrijke indicaties voor deze aminoglycosiden. De bijwerkingen kunnen heftig zijn: doofheid en evenwichtsstoornissen die irreversibel kunnen zijn, terwijl ook de nieren (ernstig) kunnen worden beschadigd.

Een andere indicatie van gentamicine is het voorkómen en behandelen van botinfecties door middel van het implanteren van een gentamicine bevattende kralenketting (Septopal®) of implantatiespons (Garacol®). Ook kan het als oogdruppel tegen ooginfecties worden voorgeschreven. Een andere indicatie van tobramycine is de toepassing als inhalatievloeistof bij patiënten met cystische fibrose, bekend onder de namen Bramitob® en Tobi® en net als gentamicine als oogdruppel tegen ooginfecties

overzicht  aminoglycosiden

stofnaam

merknaam®

 toedieningsvorm: sterkte
amikacine

gentamicine




tobramycine


 

merkloos

merkloos, Garacol®
Septopal®



merkloos, Bramitob®
Obracin®
, Tobi®, Tobrex®

 injectievloeistof: 250 mg/ml
 
 implantatiespons:
32½ en 130 mg
 injectievloeistof:
10 en 40 mg/ml
 kralenketting:
1,7 en 4½ mg/kraal
 oogdruppels:
0,3%

 inhalatiepoeder:
28 mg/dosis
 injectievloeistof:
10 en 40 mg/ml
 oogdruppels, oogzalf:
0,3%
 verneveloplossing:
60 en 75 mg/ml


Tuberculosemiddelen
Dit zijn middelen die uitsluitend worden gebruikt bij de behandeling van (long)tuberculose (zie ook longtuberculose in het onderdeel 'Luchtweginfecties' in de sectie 'Luchtwegen & Ademhaling' ). Ze worden ook wel tuberculostatica genoemd. Ze remmen of doden de tuberkelbacil en worden meestal in een combinatie van twee, drie of zelfs vier verschillende middelen gedurende vele maanden voorgeschreven.
De belangrijkste tuberculosemiddelen zijn: bedaquiline (Sirturo®), ethambutol (Myambutol®), isoniazide (merkloos, Isoniazide FNA), pyrazinamide (merkloos), rifabutine (Mycobutin®) en rifampicine (merkloos, Rifadin®). Doordat deze middelen langdurig worden toegepast in diverse combinaties is de kans dat er bijwerkingen ontstaan groot.

overzicht  tuberculosemiddelen

stofnaam

merknaam®

 toedieningsvorm: sterkte
bedaquiline

ethambutol

isoniazide


isoniazide/rifampicine

pyrazinamide

rifabutine

rifampicine


 

Sirturo®

Myambutol®


merkloos
Isoniazide FNA

Rifinah®

merkloos


Mycobutin®

merkloos, Rifadin®

 

 tablet: 100 mg
 

 tablet: 400 mg
 
 drank: 10 mg/ml
 injectievloeistof: 100 mg/ml
 
 dragee: 150/300 mg
 
 tablet: 500 mg
 
 capsule: 150 mg
 
 capsule: 150 en 300 mg
 dragee, tablet: 600 mg
 infusievloeistof: 600 mg
 suspensie: 20 mg/ml

-
Antimycotica
Het gaat hier om middelen die uitsluitend tegen schimmelinfecties kunnen worden gebruikt. Daarvan wordt miconazol (merkloos, Daktarin®, Dermacure®, Miconazol FNA, Gyno-Daktarin®) het meest gebruikt, vooral bij schimmelinfecties van de huid (zie ook schimmelinfecties in het onderdeel 'Huidinfecties' in de sectie 'Huidaandoeningen'), mond- en keelholte, uitwendige gehoorgang en de vagina (zie ook candidiasis en vaginose in het onderdeel 'SOA' in de sectie 'Seks & Voortplanting' of fluor vaginalis in de sectie 'Vrouwenziekten'). Bij deze aandoeningen wordt miconazol uitsluitend lokaal als crème, strooipoeder, huidspray, tinctuur, zuigtablet of vaginale capsules/crème toegepast. Andere lokaal toegepaste antimycotica zijn benzoëzuur/salicylzuur (merkloos, Benzoëzuursalicylzuur FNA, Whitfields®), butoconazol (Gynomyk®), ciclopirox (Loprox®), clotrimazol (merkloos, Canesten®, Canesten gyno®), ketoconazol (merkloos, Nizoral®), sulconazol (Myk®) en terbinafine (merkloos, Lamisil®). De kans op bijwerkingen is klein, soms wat lokale irritatie.

overzicht  lokale  Antimycotica

stofnaam

merknaam®

 toedieningsvorm: sterkte
benzoëzuur/
    /salicylzuur

butoconazol


ciclopirox

clotrimazol



ketoconazol

miconazol






sulconazol

terbinafine
 

merkloos, Benzoëzuur-
salicylzuur
, Whitfields®

Gynomyk®


Loprox®

merkloos, Canesten®
Canesten gyno®


merkloos, Nizoral®

merkloos, Daktarin®
Dermacure®

Miconazol FNA
Gyno-Daktarin®



Myk®

merkloos, Lamisil®
 

 crème, zalf: 50/50 mg/g

 
 vaginaal crème:
2%
 vaginaal tablet (ovule):
100 mg

 crème:
1%
 
 crème:
1%
 vaginaal crème:
1 en 2%
 vaginaal tablet:
200 en 500 mg
 
 crème, shampoo:
2%
 
 applicatievloeistof:
2%
 crème, zalf, orale gel:
2%
 
oordruppels: 2%
 
smeersel, strooipoeder: 2%
 vaginaal capsule:
400, 1200 mg
 vaginaal crème:
2%
 
 crème:
1%; lotion: 1%
 
 crème, gel:
1%; huidspray: 1%
 
oplossing: 1%

Bij zeer hardnekkige schimmelinfecties is het effectiever antimycotica oraal (dus via de mond) te gebruiken zoals met amfotericine B (Fungizone®), fluconazol (merkloos, Diflucan®), itraconazol (merkloos, Trisporal®), miconazol (Daktarin®), nystatine (merkloos), posaconazol (Noxafil®), terbinafine (merkloos) of voriconazol (Vfend®). Het spreekt voor zich dat bij een orale toediening van dergelijke middelen de kans op bijwerkingen groter is dan na lokaal gebruik. Maagdarmstoornissen komen regelmatig voor, verder ook hoofdpijn, huidreacties en smaak- en reukstoornissen.

overzicht  orale  Antimycotica

stofnaam

merknaam®

 toedieningsvorm: sterkte
amfotericine B

fluconazol


itraconazol

miconazol

nystatine

posaconazol

terbinafine

voriconazol

Fungizone®

merkloos, Diflucan®


merkloos, Trisporal®

Daktarin®

merkloos

Noxafil®

merkloos

Vfend®

 suspensie: 100 mg/ml
 
 capsule:
50, 150 en 200 mg
 suspensie:
10 en 40 mg/ml
 
 capsule:
100 mg; drank: 10 mg/ml
 
 orale gel:
20 mg/g
 
 suspensie:
100.000 E/ml
 
 suspensie:
40 mg/ml; tablet: 100 mg

 tablet:
250 mg
 

 suspensie: 40 mg/ml; tablet: 50, 200 mg

Bij de behandeling van zogenaamde diepe mycosen - dat zijn schimmelinfecties van inwendige organen - komen veel zwaardere middelen in aanmerking zoals amfotericine B (Abelcet®, Ambisome®, Amphocil®, Fungizone®), anidulafungine (Ecalta®), caspofungine (Cancidas®), fluconazol (merkloos, Diflucan®), flucytosine (Ancotil®), itraconazol (Trisporal®), micafungine (Mycamine®), posaconazol (Noxafil®) en voriconazol (Vfend®). De meeste van deze middelen worden als intraveneus infuus (rechtstreeks in een ader) toegediend, sommige ook oraal (via de mond). Het spreekt voor zich dat het hier uitsluitend gaat om ziekenhuisbehandelingen. Uiteraard hebben deze zware middelen flink wat bijwerkingen.

overzicht  intraveneuze  Antimycotica

stofnaam

merknaam®

 toedieningsvorm: sterkte
amfotericine B


anidulafungine

caspofungine

fluconazol

flucytosine

itraconazol

micafungine

posaconazol


voriconazol

Abelcet®, Ambisome® Amphocil®, Fungizone®

Ecalta®

Cancidas®

merkloos
, Diflucan®

Ancotil®

Trisporal®

Mycamine®

Noxafil®

Vfend®

 infusievloeistof: 50 en 100 mg

 
 infusievloeistof: 100 mg
 
 infusievloeistof: 50 en 70 mg
 
 infusievloeistof: 100 en 400 mg
 
 infusievloeistof: 2,5 g
 
 infusievloeistof: 250 mg
 
 infusievloeistof: 50 en 100 mg
 
 infusievloeistof: 18 mg/ml

 infusievloeistof: 200 mg


Antivirale  middelen
Tegen virale infecties zijn nog maar betrekkelijk weinig middelen werkzaam. Er zijn op dit moment verschillende typen antivirale middelen. Een belangrijke groep wordt gevormd door de middelen die werkzaam zijn tegen bepaalde herpesvirussen (zie ook herpesinfecties). De oudste en tevens bekendste vertegenwoordiger van deze groep is aciclovir (merkloos, Koortslip crème®, Zovirax®). Dit middel wordt als (oog)zalf bij herpes-simplex-infecties in het oog of op de huid gebruikt, maar ook als tablet bij gordelroos (herpes zoster), of bij genitale herpes (herpes genitalis). Bij een virale hersenontsteking (encefalitis) wordt aciclovir via een intraveneus infuus (dus direct in de bloedbaan) gegeven. Andere (nieuwere) middelen tegen herpesinfecties zijn famciclovir (merkloos) en valaciclovir (merkloos, Zelitrex®). De bijwerkingen van aciclovir, valaciclovir en in iets mindere mate famciclovir na oraal gebruik (dus als tablet) zijn misselijkheid, hoofdpijn, vermoeidheid en huiduitslag.

De laatste twee decennia is een fors aantal middelen op de markt gebracht die van groot belang zijn bij de behandeling van aids-patiënten en van mensen die HIV-positief zijn. Met deze zogenoemde antiretrovirale middelen - ze worden ook wel aidsremmers genoemd - kan men aids weliswaar niet genezen, maar kan men wél de ziekteverschijnselen uitstellen of verminderen. In 2011 waren maar liefst 24 middelen tegen aids geregistreerd in Nederland. Door een intensieve combinatietherapie met meerdere antiretrovirale middelen wordt aids niet meer als een dodelijke ziekte beschouwd maar als een ernstige, chronische ziekte. Voor meer informatie over deze middelen, ga naar aids in het onderdeel 'SOA' in de sectie 'Seks & Voortplanting'.

Tegen de virusziekte griep (influenza) zijn de zogenoemde neuraminidaseremmers ontwikkeld: oseltamivir (Tamiflu®) en zanamivir (Relenza®). Deze middelen zijn niet in staat griep te genezen, maar verminderen de klachten en de ziekteduur van een griepaanval enigszins. De jaarlijkse griepvaccinatie blijft dus de belangrijkste vorm van grieppreventie (zie ook griep in het onderdeel 'Luchtweginfecties' in de sectie 'Luchtwegen & Ademhaling'). Een ander middel bij de preventie van griep is amantadine (Symmetrel®).

Voor de therapie van hepatitis B en C, beide ernstige en moeilijk te behandelen virusziekten (zie ook hepatitis), zijn tegenwoordig diverse opties zoals de interferonen  interferon-alfa (Intron A®, Roferon A®) en peginterferon-alfa (Pegasys®, Pegintron®) en bepaalde andere typen antivirale middelen (zie ook geelzucht, hepatitis en levercirrose in het onderdeel 'Aandoeningen van Lever en Galwegen' in de sectie 'Spijsvertering & Lever').

overzicht  antivirale  middelen

stofnaam

merknaam®

 toedieningsvorm: sterkte
middelen  tegen  herpesinfecties 
aciclovir




famciclovir

valaciclovir

merkloos
Koortslip crème®
Zovirax®



merkloos

merkloos, Zelitrex®

 crème: 5%
 infusievloeistof: 250 en 500 mg
 oogzalf:
3%, suspensie: 40 mg/ml
 tablet:
200, 400 en 800 mg
 
 tablet:
125 en 500 mg
 
 tablet:
250 en 500 mg
antiretrovirale  middelen  (tegen aids)
ga naar aids in het onderdeel 'SOA' in de sectie 'Seks & Voortplanting'
middelen  tegen  griep
amantadine

oseltamivir


zanamivir

Symmetrel®

Tamiflu®


Relenza®

 capsule: 100 mg
 
 capsule: 30, 45 en 75 mg
 
suspensie: 6 mg/ml
 
 inhalatiepoeder: 5 mg/dosis
middelen  tegen  virale  hepatitis
adefovir

boceprevir


entecavir

interferon-
α

peginterferon-
α

lamivudine


ribavirine


simeprevir

sofosbuvir

telbivudine

tenofovir
 

Hepsera®

Victrelis®

Baraclude®

Intron A®, Roferon A®

Pegasys®
, Pegintron®

merkloos, Epivir® Zeffix®

merkloos, Copegus®
Moderyba®, Rebetol®

Olysio®

Sovaldi®

Sebivo®

Viread®
 

 tablet: 10 mg
 
 capsule: 200 mg
 
 tablet: ½ en 1 mg
 
 autoinjector: 3-10 milj. IE/dosis
 
 autoinjector: 50-180 μg/dosis
 
 drank: 5 en 10 mg/ml
 tablet:100-300 mg
 
 capsule, tablet: 200-600 mg
 

 capsule: 150 mg

 tablet: 400 mg

 tablet: 600 mg
 
 granules: 33 mg/g
 tablet: 123-245 mg


Malariamiddelen
Strikt genomen zijn malariamiddelen geen antibiotica, maar synthetische middelen die alleen werkzaam zijn tegen malariaparasieten, de verwekkers van malaria. Ze zijn dus niet werkzaam tegen virussen, bacteriën of schimmels. Malariaparasieten behoren namelijk tot de zogenaamde protozoa, ééncellige (spore)diertjes die vele malen groter zijn dan bacteriën maar toch nog tot de micro-organismen behoren omdat ze niet met het blote oog zichtbaar zijn. Voor de acute malariabehandeling komen in aanmerking artemether/lumefantrine (Riamet®), artemotil (Artecef®), artenimol/piperaquine (Eurartesim®), *atovaquon/proguanil (merkloos, Malarone®), *chloroquine(A-CQ 100®), *hydroxychloroquine (merkloos, Plaquenil®), kinine (merkloos, A-QS 200®, Kinine FNA), *mefloquine (Lariam®), primaquine (A-PQ 30®) en pyrimethamine (Daraprim®).

In Nederland staat echter de malariaprofylaxe (het voorkómen van malaria) op de voorgrond, omdat heel veel Nederlanders jaarlijks hun vakanties doorbrengen in (sub)tropische malariagebieden. De hierboven met * gemerkte malariamiddelen zijn ook geschikt bij de malariaprofylaxe; ze worden dan in aanzienlijk lagere doseringen voorgeschreven. Tevens worden proguanil (Paludrine®) en het tetracyclinepreparaat doxycycline (merkloos, Doxy Disp®) als malariaprofylactica gebruikt. Voor de bijwerkingen van deze middelen wordt verwezen naar het onderdeel malaria in de sectie 'Verre Reizen & Gezondheid'.

overzicht  malariamiddelen

stofnaam

merknaam®

 toedieningsvorm: sterkte
acute  malariabehandeling
artemether/
     /lumefantrine

artemotil

artenimol/
    /piperaquine

atovaquon/
    /proguanil


chloroquine

hydroxychloroquine

kinine


mefloquine

primaquine

pyrimethamine

Riamet®


Artecef®

Eurartesim®


merkloos, Malarone®


A-CQ
100®

merkloos, Plaquenil®

merkloos, A-QS 200®
Kinine FNA

Lariam®

A-PQ 30®

Daraprim®

 tablet: 20/120 mg
 

 injectievloeistof:
50, 150 mg/ml
 
 tablet:
40/320 mg
 

 tablet:
62½/25 en 250/100 mg
 
 
 tablet:
100 mg
 
 tablet:
200 mg
 
 infusievloeistof:
120 mg/ml
 tablet:
200 mg
 
 tablet:
250 mg
 
 tablet
30 mg
 
 tablet:
25 mg
malariaprofylaxe
atovaquon/
    /proguanil

chloroquine

doxycycline

hydroxychloroquine

mefloquine

proguanil

merkloos, Malarone®


A-CQ 100®

merkloos, Doxy Disp®

merkloos, Plaquenil®

Lariam®

Paludrine®

 tablet: 62½/25 en 250/100 mg
 

 tablet:
100 mg
 
 tablet:
100 mg
 
 tablet:
200 mg
 
 tablet:
250 mg
 
 tablet:
100 mg


Wormmiddelen
Middelen dus tegen parasitaire wormen, ook wel anthelmintica genoemd. Hoewel het bij wormen niet om een besmetting met micro-organismen gaat, spreekt men toch van een infectieziekte (zie ook worminfecties in het onderdeel 'Darmaandoeningen' in de sectie 'Spijsvertering & Lever'). Mebendazol (merkloos, Wormkuur®) wordt gegeven tegen spoelwormen, aarsmaden en lintwormen. Bijwerken komen niet vaak voor, soms wat buikpijn of diarree. Hoewel lintwormen in Nederland niet meer zoveel voorkomen, reageren sommige soorten niet zo goed op mebendazol. Meestal is niclosamide (Yomesan®) dan het werkzamere alternatief.  Ook niclosamide geeft weinig bijwerkingen. Andere wormmiddelen zijn albendazol (Eskazole®), ivermectine (Stromectol®) en praziquantel (Biltricide®). Deze middelen worden doorgaans alleen gegeven bij besmettingen met wormsoorten die uit het Middellandse-Zeegebied, Afrika of Centraal Amerika afkomstig zijn. De kans op bijwerkingen is groter dan bij mebendazol en niclosamide.

overzicht  wormmiddelen

stofnaam

merknaam®

 toedieningsvorm: sterkte
albendazol

ivermectine

mebendazol

niclosamide

praziquantel

Eskazole®

Stromectol®

merkloos, Wormkuur®

Yomesan®

Biltricide®

 tablet: 400 mg
 
 tablet:
3 mg
 
 tablet:
100 mg
 
 kauwtablet:
500 mg
 
 tablet:
600 mg


Overige  middelen
Metronidazol
(merkloos, Flagyl®). Tegen veelvoorkomende infecties van de vagina (vaginitis) veroorzaakt door ééncellige parasieten (Trichomonas vaginalis, de infectie heet dan vaginale trichomoniasis) of bepaalde bacteriën (ook wel bacteriële vaginose genoemd) wordt meestal dit middel gegeven (zie ook fluor vaginalis in de sectie 'Vrouwenziekten'). Vier tabletten, die men gelijktijdig moet innemen, zijn voldoende om deze hinderlijke infecties te genezen. De partner – die meestal geen klachten heeft – moet worden meebehandeld, omdat hij vaak een eventuele herinfectie veroorzaakt. Ook wordt metronidazol toegepast bij het bestrijden van infecties door anaërobe bacteriën zoals bij eileiderontsteking (in het onderdeel 'Gynaecologische Infecties' in de sectie 'Vrouwenziekten'). Daarnaast wordt metronidazol toegepast bij de behandeling van bepaalde darminfecties die door ééncellige parasieten worden veroorzaakt (zie ook de onderdelen dysenterie en giardiasis in het gedeelte 'Darminfecties' in de sectie 'Spijsvertering & Lever'). Afgezien van wat maag-darmstoornissen (misselijkheid), een hinderlijke metaalsmaak of hoofdpijn, wordt dit middel meestal goed verdragen. Tijdens de behandeling (tot twee dagen na de laatste inname) mag geen alcohol worden gebruikt, omdat een zogenoemde alcoholintolerantie kan ontstaan. Metronidazol kan ook lokaal op de huid worden toegepast (aangeduid als metronidazol cutaan) bij de behandeling van rosacea (zie ook 'Huidinfecties' in de sectie 'Huidaandoeningen') middels een crème of een gel. Het is dan verkrijgbaar onder de namen Metronidazol FNA, Metrosa®, Rosiced® of Rozex®.

Chlooramfenicol (merkloos), was in de jaren vijftig van de vorige eeuw een heel belangrijk breedspectrum antibioticum, werkzaam tegen vele infectieziekten. Vele jaren na de introductie kwam men erachter dat dit middel soms bloedafwijkingen kon veroorzaken. Hoewel deze afwijkingen slechts zelden voorkwamen, waren ze soms toch zo ernstig dat mensen eraan overleden. Dat dit pas zo laat werd ontdekt, had vooral te maken met het feit dat de afwijkingen pas maanden ná de behandeling optraden. Dit heeft er toe geleid dat chlooramfenicol alleen nog als oogdruppel of oogzalf bij bacteriële ooginfecties mag worden gebruikt (zie ook oogaandoeningen in de sectie 'Oog- & Ooraandoeningen'). Omdat het hier om een lokale toediening gaat, zullen die ongewenste bloedafwijkingen dan niet optreden.

Fusidinezuur (merkloos, Affusine®, Fucidin®, Fucithalmic®) en mupirocine (Bactroban®) zijn effectieve antibacteriële middelen die bij huidinfecties, ooginfecties en neusinfecties kunnen worden toegepast. Ze worden voornamelijk in lokale toedieningsvormen gebruikt.

Vancomycine (merkloos, Vancocin®). Dit antibioticum wordt heel weinig gebruikt, maar is wel erg belangrijk. Het wordt voornamelijk gebruikt tegen ernstige stafylokokkeninfecties die door resistentie-ontwikkeling vrijwel onbehandelbaar zijn geworden. Het wordt voornamelijk als intraveneus infuus (dus direct in de bloedbaan) toegediend. Het spreekt voor zich dat dit middel uitsluitend in een ziekenhuis wordt gebruikt.

overzicht  overige  middelen

stofnaam

merknaam®

 toedieningsvorm: sterkte
chlooramfenicol
 

merkloos
 

 oogdruppels: 0,4 en 0,5%
 
oogzalf: 1%
metronidazol




metronidazol
     (cutaan)

 

merkloos, Flagyl®




merkloos
Metronidazol FNA
Metrosa®, Rosiced®
Rozex®

 infusievloeistof: 5 mg/ml
 suspensie:
40 mg/ml
 tablet:
250 en 500 mg
 
vaginale ovule/tablet: 500 mg

 crème: 0,75 en 1%
 
huidgel: 0,75% en 1% (steriel)

 
fusidinezuur



mupirocine

merkloos, Affusine® Fucidin®, Fucithalmic®


Bactroban®

 crème, zalf: 2%; intertulle: gaas
 geïmpregneerd met de zalf
 ooggel: 1%
 
 neuszalf, zalf: 2%
vancomycine
 

merkloos, Vancocin®
 

 infusievloeistof: 500 en 1000 mg
 
capsule: 250 mg

Steun 'Medicijnen op Maat':  een  OPROEP !

Externe links:
    http://www.rivm.nl (Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding, RIVM)
    http://www.farmacotherapeutischkompas.nl (Farmacotherapeutisch Kompas)
    http://www.geneesmiddelenbulletin.nl (Geneesmiddelenbulletin)

Terug