Terug

MEDICIJNEN  op  MAAT

 HomeAlgemeenZiektenMedicijnen

VAN  VOEDING  tot  DOPING

VOEDING  &  GEZONDHEID

INHOUD

 Bouwstoffen  &  brandstoffen
 
Schijf  van  vijf
 
Mediterraan  dieet  is  echt  gezond!
 
Hoe veilig  is  ons  voedsel?
   ▪
bedorven voedsel
   ▪
gekkekoeienziekte
   ▪
genetisch gemodificeerd voedsel
   ▪
dioxine
   ▪
pesticiden
   ▪
antibiotica
 
Overgewicht  &  vetzucht
   ▪ body-mass index (BMI)
   ▪ hoeveel mensen hebben overgewicht?
   ▪ wie te dik is, leeft korter
   ▪
leptine
   ▪
dieet?
   ▪
pillen slikken?
   ▪
operatief ingrijpen?
 
Ondervoeding,  anorexia  &  boulimia
   ▪
behandeling

Bouwstoffen  &  brandstoffen
’Je bent wat je eet’ is een gevleugelde uitdrukking, waar weinig op af te dingen valt. Om te worden en te blijven wat we zijn en activiteiten te kunnen ontplooien, hebben we nogal wat voedingsstoffen nodig. Zo zijn voor de opbouw van nieuw weefsel, voor de groei en voor het herstel van slijtage bouwstoffen nodig zoals eiwitten, ijzer en calcium (kalk). Eiwitten zijn onmisbaar voor de opbouw en instandhouding van de lichaamscellen, die de bouwstenen zijn van alle weefsels en organen. Niet minder dan 17 procent van elke lichaamscel bestaat uit eiwit. IJzer is vooral van belang voor het bloed en de spieren, terwijl calcium een belangrijke bouwstof is voor de botten en het gebit.

Om te kunnen voldoen aan de dagelijkse energiebehoefte, zodat we arbeid kunnen verrichten en de lichaamstemperatuur op peil blijft, hebben we brandstoffen nodig. De belangrijkste brandstoffen zijn vetten en koolhydraten. Vetten zijn onder meer samengesteld uit vetzuren, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen verzadigde en onverzadigde vetzuren. Enkele (meervoudig) onverzadigde vetzuren worden door het lichaam zelf gemaakt uit koolhydraten. Deze vetzuren zijn nodig voor de groei en voor een goede celdeling. Vetzuren kunnen door cellen voor de energielevering worden gebruikt. Een gram vet bevat meer dan tweemaal zoveel energie als een gram koolhydraten. Is het aanbod aan vetzuren groter dan het verbruik, dan worden ze in het lichaam opgeslagen in speciale vetcellen. Ze worden in principe pas weer aangesproken bij een voedseltekort. In de westerse wereld wordt 50 tot 60 procent van de energiebehoefte door koolhydraten gedekt. Ze kunnen worden onderverdeeld in zetmeel en suiker. Zetmeel is opgebouwd uit vele enkelvoudige suikers. Het lichaam slaat suikers op in de spieren en in de lever in de vorm van glycogeen. Bevat het voedsel voortdurend te veel koolhydraten, dan kunnen ze in vetten worden omgezet en in (vet)weefsel worden opgeslagen.

Behalve bouwstoffen en brandstoffen hebben we mineralen – waaronder spoorelementen – en ook vitaminen nodig. Deze stoffen hebben alle een regulerende functie. Een mineraal als natrium speelt een belangrijke rol bij de waterhuishouding in het lichaam, maar ook bij de prikkelgeleiding van zenuwen. De fysiologische tegenhanger van natrium is het mineraal kalium. Anders dan bij natrium bevindt maar 2% van het totale lichaamskalium zich buiten de cellen. Binnen de cellen is de concentratie vele malen hoger. Magnesium is van grote betekenis als katalysator bij veel reacties die worden beïnvloed door enzymen. Calcium (kalk) speelt behalve als bouwstof voor botten en het gebit een zeer belangrijke rol bij de activiteit van vele lichaamscellen. In kleine hoeveelheden beschermen vitaminen het lichaam tegen bepaalde ziekten die ontstaan bij voedselgebrek of bij een zeer eenzijdige voeding. Spoorelementen zijn in zeer kleine hoeveelheden (‘sporen’) nodig in bepaalde celstructuren, enzymen en andere celproducten van het lichaam. Net als bij een vitaminegebrek kunnen bij een chronisch gebrek aan spoorelementen stoornissen ontstaan. Tot de spoorelementen behoren koper, zink, chroom, mangaan, molybdeen, ijzer, jodium, seleen en fluor. Fluor is nodig bij de opbouw van het gebit en van de botten, terwijl jodium nodig is voor de vorming van de schildklierhormonen.

Schijf  van  vijf
Voedingsdeskundigen adviseren een gevarieerde en goed uitgebalanceerde voeding, die bestaat uit veel verschillende voedingsstoffen. Bij een evenwichtige voeding moet men ervoor zorgen dat elke maaltijd voldoende eiwitten, vetten, koolhydraten, vitaminen en mineralen bevat. De belangrijkste richtlijnen komen in het kort op het volgende neer:

 

 

De 5 regels van de ‘Schijf van Vijf’:
•  Eet gevarieerd.

•  Eet niet teveel en beweeg.
•  Eet minder verzadigd vet.
•  Eet veel groente, fruit en brood.
•  Eet veilig.
 

 

 

 

De Stichting Voedingscentrum Nederland heeft een zogenaamde maaltijdschijf samengesteld om de keuze van de verschillende voedingsmiddelen te vergemakkelijken. Deze maaltijdschijf bestaat uit vijf verschillende vakken:
Vak 1
bestaat uit groente en fruit; deze producten bevatten behalve de voedingsbestanddelen eiwit en vezels, de vitaminen C en B11 (foliumzuur) en het mineraal kalium.
Vak 2
bestaat uit brood, aardappelen, pasta en peulvruchten; deze producten bevatten de voedingsbestanddelen koolhydraten, eiwitten en vezels die een belangrijk onderdeel van elke maaltijd moeten vormen. Andere belangrijke bestanddelen in deze producten zijn de B-vitaminen en de mineralen calcium en ijzer.
Vak 3
bestaat uit zuivelproducten, vlees, vis, kip en ei; ook deze producten horen bij elke maaltijd en bevatten belangrijke voedingsbestanddelen als eiwitten en (vis)vetzuren alsmede B-vitaminen en mineralen zoals ijzer en calcium. Men heeft er echter minder van nodig dan van de producten uit de eerste twee vakken.
Vak 4 bestaat uit vetten en olie, producten die bij de bereiding van voedsel nodig zijn (braden, frituren) of het consumeren van gerechten veraangenamen (brood met boter of margarine besmeren). Ze bevatten essentiële vetzuren en de vitaminen A, D en E.
Vak 5 bestaat uit water; water is belangrijk vanwege de dagelijkse vochtbehoefte. Alle dranken tellen mee bij de dagelijkse inname van vocht, uiteraard water, maar ook koffie, thee, melkproducten, vruchtensappen en frisdrank. De ene soort bevat wel meer calorieën dan andere!

Mediterraan  dieet  is  echt  gezond!
Het zogenoemde ‘mediterrane dieet’ bestaat uit veel groente, vers fruit, noten, vis en olijfolie, alsmede uit enkele glazen (rode) wijn per dag. Sinds jaar en dag zijn deze producten het dagelijkse voedsel van de meeste inwoners van Griekenland, Italië, Spanje en Frankrijk, de landen dus aan de Middellandse Zee (in het Frans: Mediterranée).

Al tientallen jaren geleden kreeg men belangstelling voor deze voeding, doordat uit vergelijkend onderzoek was gebleken dat de sterfte aan hart- en vaatziekten (vooral hartinfarcten en beroerten) in deze landen veel lager was dan in de Verenigde Staten en de noordelijke Europese landen, waaronder Nederland. Ter illustratie: in 1992 stierven 255 van de 100.000 Griekse mannen aan een hart- en vaatziekte, vergeleken met 315 Nederlandse en 587 Finse mannen. In Frankrijk overleden maar 142 per 100.000 mannen aan een dergelijke ziekte. Dat was opvallend weinig, omdat bekend is dat Fransen relatief veel roken, veel drinken en niet vies zijn van een goed stuk vlees. Als verklaring voor deze ‘Franse paradox’ werd al gauw gesuggereerd dat de (rode) wijnconsumptie hier misschien debet aan zou zijn. En inderdaad zijn er de laatste jaren steeds meer positieve berichten verschenen over de remmende invloed van enkele (!) glazen rode wijn per dag op het ontstaan van hart- en vaatziekten (zie ook antioxidanten in het onderdeel 'De Vitaliteit van Vitaminen' in deze sectie 'Van Voeding tot Doping'). Toch leek het onwaarschijnlijk dat hiermee de lage sterfte aan hart- en vaatziekten in de mediterrane landen volledig kon worden verklaard.

Uit de resultaten van een grootschalig Grieks bevolkingsonderzoek, die in de vroege zomer van 2003 in een gerenommeerd Amerikaans medisch tijdschrift werden gepubliceerd, bleek inderdaad dat vooral de combinatie van het mediterrane dieet en de dagelijkse wijnconsumptie de gezondheid bevordert. Ruim 22.000 Grieken in de leeftijd van 20 tot 86 jaar namen in de periode tussen 1994 en 1999 deel aan dit uitgebreide onderzoek naar de relatie tussen hun eetgewoonten en hun medische geschiedenis. Onder de deelnemers kon een duidelijk verschil worden gemaakt tussen Grieken die nog een traditioneel (mediterraan) dieet volgen en Grieken met ‘modernere’, minder traditionele voedingsgewoonten (‘instant food’, veel vet, veel tussendoortjes enzovoort). Bij degenen die gewend zijn ‘mediterraan’ te eten, bleek de sterfte aan hart- en vaatziekten een derde lager te zijn, terwijl de sterfte aan kanker een kwart lager was. De onderzoekers kwamen tot de conclusie dat deze lagere sterfte niet kan worden verklaard door één enkel product uit het mediterrane dieet, maar dat vermoedelijk de combinatie van voedingsmiddelen in dit dieet zo gezond is.
 

Hoe veilig  is  ons voedsel?

‘Wat kunnen we nog veilig eten’, zo vragen veel consumenten zich af na affaires als de gekkekoeienziekte (BSE) en dioxine in kippen en in vis. Voor de westerse consument is gezondheid – terecht – prioriteit nummer één, maar hij wordt vaak opgeschrikt door allerlei griezelige berichten. Deskundigen van de Wageningen Universiteit hebben echter een geruststellende boodschap: ‘ons voedsel is veiliger dan ooit, maar waakzaamheid blijft geboden, vooral wat betreft bedorven voedsel en BSE’.

Bedorven  voedsel
Als we alleen naar de cijfers kijken, dan blijkt dat met micro-organismen besmet voedsel verreweg de meeste slachtoffers maakt. De belangrijkste ziektekiemen zijn Salmonella en Campylobacter, die vooral in kippenvlees en eieren voorkomen. Maar ook Listeria, die vooral in rauwmelkse producten zoals in Franse kazen voorkomt, kan problemen veroorzaken. Datzelfde geldt voor de bacterie Escherichia coli (type O157), die men in filet americain en slecht doorbakken hamburgers kan aantreffen. Uit een rapport van de Wageningen Universiteit dat in 2000 gepubliceerd werd, blijkt dat er in Nederland jaarlijks een kwart tot één miljoen gevallen van buikgriep zijn als gevolg van voedselinfecties. Dergelijke infecties veroorzaken tientallen doden, en dat zijn lang niet allemaal oude en zwakke mensen (zie ook darminfecties in het onderdeel 'Darmaandoeningen' in de sectie 'Spijsvertering & Lever'). De werkelijke aantallen liggen waarschijnlijk hoger, omdat betrouwbare informatie ontbreekt en voedselinfecties niet altijd als doodsoorzaak worden herkend. Voedselinfecties zijn niet alleen toe te schrijven aan de voedselproducenten. Ook de consument heeft hierin een aanzienlijk aandeel. Soms wordt de hamburger of de kip niet lang genoeg gebakken of wordt voedsel te lang bewaard in een ondeugdelijke koelkast.

Gekkekoeienziekte
Mensen die vlees eten van koeien die de gekkekoeienziekte (BSE, de afkorting van 'boviene spongiforme encefalopathie' oftewel 'sponsachtige hersenafwijkingen bij runderen') hadden, kunnen in principe de dodelijke hersenziekte Creutzfeldt-Jakob krijgen. Na de uitbraak van BSE in Engeland, die zelfs enkele menselijke slachtoffers eiste, zijn daarna ook besmette koeien ontdekt op het vasteland van Europa en ook in Nederland. Dat wij ons ongerust moeten maken over BSE, komt vooral door de vele onzekerheden die ondanks intensief onderzoek nog steeds over deze ziekte bestaan. Zo is nog steeds niet duidelijk hoe besmettingen tot stand komen, welke organen van de koe besmet kunnen zijn en hoe lang het duurt voordat de eerste ziekteverschijnselen ontstaan nadat iemand besmet is.

Genetisch  gemodificeerd  voedsel
Over genetisch gemodificeerd voedsel zijn de deskundigen veel duidelijker. Hoewel Greenpeace via voortdurende reclamecampagnes de indruk probeert te wekken dat genetisch gemodificeerd voedsel een ernstig gevaar voor de volksgezondheid is, behoort dit type voedsel tot de strengst gecontroleerde voedingsmiddelen. Van de huidige genetisch gemodificeerde gewassen (voornamelijk maïs en soja) die worden verwerkt in menselijke voedingsmiddelen, zijn geen schadelijke gezondheidseffecten bekend. Of er mogelijk op de lange termijn schadelijke gevolgen zijn, kan nu nog niet worden ingeschat. Daarvoor zijn deze producten nog niet lang genoeg op de markt. Maar reken maar dat ze zeer goed in de gaten worden gehouden!

Dioxine
Door de affaire met de dioxinekippen zou men – ten onrechte – de indruk kunnen krijgen dat alle kippen in Nederland boordevol zitten met dioxinen en pcb’s. Dit ernstige incident ontstond doordat een Belgische handelaar het kippenvoer opzettelijk verontreinigde met transformatorolie waarin dioxinen en pcb’s zaten. Dit soort misdadige incidenten is nooit helemaal uit te sluiten, ondanks een uitgebreid controlesysteem. Overigens staat beslist niet vast dat men na het consumeren van dioxinebevattend kippenvlees kanker zou krijgen. Dat geldt ook voor het consumeren van vis. Vette vis bevat gewoonlijk (zeer) lage concentraties dioxinen. De negatieve gevolgen daarvan zijn echter veel kleiner dan de gezondheidswinst die men behaalt door één of twee keer per week vette vis te eten. Vette vis is namelijk een probaat voedingsmiddel om bepaalde hart- en vaatziekten te voorkomen (zie ook visolie in het onderdeel 'Voedingssupplementen te Kust & te Keur' in deze sectie 'Van Voeding tot Doping').

Pesticiden
Ook bij fruit en groente doet zich iets dergelijks voor. Deze producten bevatten, vooral als ze afkomstig zijn uit Zuid-Europa, restjes pesticiden die de ontwikkeling van de hersenen en het zenuwstelsel negatief kunnen beïnvloeden. Maar fruit en verse groenten blijven voor de gezondheid noodzakelijke voedingsmiddelen. Behalve dat ze een bron van eiwitten en noodzakelijke vitaminen zijn, verlagen ze aantoonbaar de kans op het ontstaan van kanker. Daarom is het zo teleurstellend dat de consumptie van groenten en fruit afneemt. In 1987 at de Nederlander gemiddeld nog 141 gram groente en 125 gram fruit per dag. In 1997 was dat nog maar 123 gram groente (de aanbevolen hoeveelheid is 150 tot 200 gram per dag) en 105 gram fruit.

Antibiotica
Een andere zorg van voedingsdeskundigen is het gebruik van antibiotica in de intensieve veehouderij. In de meeste Europese landen bevat het veevoer voor slachtdieren kleine hoeveelheden antibiotica. De antibiotica zijn bedoeld om te voorkomen dat de jonge dieren ziek worden, zodat ze goed blijven groeien. Vooral in de intensieve veehouderij (kippen, varkens), waar de productiedruk groot is, zorgen antibiotica voor betere bedrijfsresultaten. De keerzijde is echter dat in het vlees dat bestemd is voor menselijke consumptie, resten van deze antibiotica kunnen worden aangetoond. Hoewel de concentraties veel te laag zijn om bij de consument nog een antibacteriële werking te hebben, kunnen ze bij personen die daarvoor gevoelig zijn, allergische reacties veroorzaken.

Het grootste risico bij het overvloedige gebruik van antibiotica bij dieren is echter dat er resistentie (zie ook resistentie in het onderdeel 'Antibiotica in de Problemen' in de sectie 'Infectieziekten') in de darmflora van de ‘behandelde’ dieren zal ontstaan. Dat betekent dat bacteriën die van belang zijn bij de spijsvertering resistent worden tegen antibiotica. Via de voedselketen zullen deze resistente darmbacteriën de mens bereiken en hun resistentiefactoren overdragen aan de darmflora van de mens. Daardoor is het niet uitgesloten dat bepaalde antibiotica die iemand op een bepaald moment krijgt voor de behandeling van een (ernstige) infectie, onvoldoende werkzaam zijn. De Nederlandse Gezondheidsraad, de Europese Commissie en de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) hebben geadviseerd het gebruik van antibiotica als groeibevorderaar op termijn volledig te verbieden. Tot nu toe heeft dat geleid tot een verbod van enkele antibiotica voor deze toepassing. Een totaal verbod van het gebruik van antibiotica als groeibevorderaar laat echter nog op zich wachten.

Overzicht van incidentele en veelvoorkomende voedselverontreinigingen en de daarmee
samenhangende ziekteverschijnselen in Nederland (bron: NRC Handelsblad 15-2-2001). 


Overgewicht  &  vetzucht

Een belangrijk gevaar voor de gezondheid is dat van overvoeding. Door een te hoge consumptie van voedingsstoffen die veel energie leveren in combinatie met te weinig lichamelijke activiteit, ontstaat overgewicht of zelfs vetzucht (obesitas, adipositas). Vooral in de westerse landen is het energieverbruik de laatste twintig jaar met 700 kilocalorieën per dag gedaald. Dat is bijna een maaltijd per dag.

Body-mass  index  (BMI)
De 'body-mass index' - meestal afgekort tot BMI - wordt berekend door het lichaamsgewicht in kilogram te delen door het kwadraat van de lichaamslengte in meters. De BMI wordt ook wel de 'Quetelet-index' genoemd. In onderstaande figuur is de BMI-waarde gemakkelijk af te lezen met behulp van een liniaal. De liniaal moet langs zowel de lichaamslengte en het lichaamsgewicht als de BMI-schaal worden gelegd, waarna de BMI-waarde kan worden afgelezen.
Voor personen ouder dan 21 jaar wordt een BMI-waarde tussen 19 en 25 als gezond beschouwd. Van overgewicht is sprake als de BMI 25 tot 30 bedraagt en van vetzucht of obesitas als de BMI hoger is dan 30. Iemand met een lengte van 1,75 meter overschrijdt die grens van 30 bij een lichaamsgewicht van 92 kilo.

Hoeveel  mensen  hebben  overgewicht?
In 2012 heeft 48,3% van de Nederlanders van 19 jaar en ouder overgewicht (inclusief obesitas). Overgewicht komt vaker voor bij mannen (53%) dan bij vrouwen (43,7%). Bij obesitas is dat andersom, meer vrouwen hebben obesitas (13,9%) dan mannen (11,3%). In totaal heeft 12,7% van de Nederlanders obesitas. Drie van de vijf 65-plussers heeft overgewicht (59,2%), inclusief obesitas. Van de mannen heeft 62% overgewicht, van de vrouwen 57%. Ook obesitas komt vaker voor bij ouderen (15,8%). Bijna 18% van de vrouwen en 14% van de mannen van 65 jaar en ouder heeft obesitas. Bij vrouwen is de stijging van overgewicht en obesitas met de leeftijd duidelijk zichtbaar. Van de jeugd van 2 tot 21 jaar heeft 14% overgewicht, waarvan 2% obesitas. Meisjes hebben vaker overgewicht dan jongens.

Wie  te  dik  is,  leeft  korter!
Jonge volwassenen die veel te dik zijn, zullen gemiddeld bijna 6 jaar korter leven dan leeftijdgenoten met een normaal gewicht. En in dat kortere leven zijn ze langer ziek. Door hart- en vaatziekten en suikerziekte (diabetes) verliezen ze 12 tot 15 gezonde levensjaren. Deze ernstige feiten werden in december 2014 gepubliceerd in The Lancet Diabetes, een van de meest betrouwbare medische tijdschriften ter wereld. De Canadese onderzoekers van het artikel stelden vast dat 20- tot 40-jarigen met een BMI boven de 30 de meeste schade oplopen. 40- tot 60-jarigen met een BMI boven de 30 raken minder levensjaren kwijt: 1,7 tot 3,0 jaar. Het komt erop neer dat het verlies aan levensjaren door obesitas ongeveer net zo groot is als de 4,1 levensjaren die rokers in Nederland kwijt zijn.
Obesitas bij jonge volwassenen heeft ook andere gevaren. Een vrouw met obesitas heeft 35% meer kans dat haar kind vóór of kort na de bevalling overlijdt dan een vrouw met een normaal lichaamsgewicht. De doodskans voor de baby verdubbelt zelfs als de zwangere een BMI boven de 35 heeft. Dat lieten onderzoekers zien in The BMJ (eveneens een gerenommeerd medisch tijdschrift uit Engeland) aan de hand van gegevens van 1,85 miljoen bevallingen in Zweden.

Leptine
In de jaren negentig van de vorige eeuw werd het hormoon leptine ontdekt, een eiwitachtige stof die bleek te ontbreken bij ziekelijk dikke laboratoriummuizen. Sinds deze ontdekking en die van het bijbehorende gen is er een stortvloed van nieuwe informatie beschikbaar gekomen over factoren die invloed hebben op ons eetgedrag. Leptine, zo bleek, wordt geproduceerd door vetcellen die vinden dat ze vol genoeg zijn. Via het bloed bereikt het hormoon de tussenhersenen (hypothalamus), waar het er vervolgens voor zorgt dat de eetlust afneemt. Er zijn mensen bij wie een leptinegebrek een ongeremde eetlust veroorzaakt, maar dat gebeurt niet vaak. De meeste dikke mensen hebben juist veel leptine in hun bloed. Waarschijnlijk is er bij hen vooral wat mis met de verwerking van de boodschap die leptine aan de hypothalamus heeft afgegeven. Dat ons eetgedrag een zeer complexe zaak is, wordt duidelijk als men bedenkt dat na de ontdekking van leptine nog tientallen andere stoffen zijn ontdekt die van belang zijn.

Dieet?
Natuurlijk, ‘ieder pondje gaat door het mondje’, daar is weinig op af te dingen, maar er zijn wel grote individuele verschillen wat het lichaamsgewicht betreft. Zo zijn er mensen die heel veel eten, maar toch geen pondje aankomen. Daarnaast zijn er mensen die van nature erg weinig eten. Hoe heerlijk de gerechten ook zijn, ze eten wat en stoppen dan omdat ze geen trek meer hebben. Voor de echte lekkerbekken onder ons bij wie de kilo’s eraan vliegen, is dat een schrale troost. Hoe die verschillen tussen mensen ontstaan, is nog lang niet duidelijk. Wel is duidelijk dat mensen die (veel) te dik zijn, moeten afvallen. Ze hebben immers een grotere kans op het krijgen van suikerziekte, hart- en vaatziekten, hoge bloeddruk en gewrichtsproblemen. Ook is vastgesteld dat bepaalde vormen van kanker vaker voorkomen bij mensen met overgewicht dan bij mensen met een normaal lichaamsgewicht. Dat is bijvoorbeeld het geval met borst-, baarmoeder- en eierstokkanker bij vrouwen en dikkedarm- en prostaatkanker bij mannen. Ook menstruatiestoornissen komen vaker voor en bovendien hebben mensen met overgewicht driemaal zo vaak galblaasaandoeningen.

Voor vrijwel iedereen die te dik is, geldt dat het mogelijk is om in enkele maanden vele kilo’s af te vallen. En dat afvallen kan op veel manieren gebeuren. Ieder streng dieet is dan goed, mits het een voorschrift is met extreem weinig calorieën. Sherry-, citroensap- of brooddiëten, het Atkinsdieet, het Ornishdieet, de Montignac-methode, de Weight-Watchers, Slankufit, het Sonja-Bakkerdieet, 'Eet u slank met dokter Frank' of welke methode dan ook, ze zijn effectief als ze consequent worden doorgevoerd. Toch is het belangrijk niet al te veel af te vallen in zeer korte tijd. Medisch gezien is 10 procent per jaar al heel behoorlijk, want 10 procent minder gewicht betekent een 20 procent kleinere kans op hart- en vaatziekten. Maar meestal zijn mensen met overgewicht helemaal niet tevreden met die 10 procent gewichtsvermindering. Bij de meesten moet het gewicht er veel sneller af. Als het doel dan is bereikt, valt men meestal terug op de oude eetgewoonten en vliegen de kilo’s er weer met dezelfde snelheid aan. De forse gewichtsschommelingen die hiervan het gevolg zijn, zijn nog ongezonder dan een constant hoog gewicht. Daarom worden de laatste tijd minder rigoureuze diëten voorgeschreven. De meeste deskundigen adviseren om in een jaar tijd 5 tot 10 procent kwijt te raken, vervolgens te proberen enige tijd op dit gewicht te blijven en daarna nog eens 5 tot 10 procent af te vallen.

Pillen  slikken?
De perfecte vermageringspil is de pil die me ’s morgens vroeg het bed uitjaagt en me aan het joggen zet’, zei eens een Amerikaanse vermageringsprofessor op een wetenschappelijk congres over vetzucht. De ideale vermageringspil is er dus nog steeds niet en het is maar de vraag of die er ooit zal komen. Enkele jaren geleden verdween de tamelijk populaire eetlustremmer fenfluramine (Ponderal®) van de markt toen bekend werd dat dit middel in combinatie met het amfetaminederivaat fentermine – dat al veel eerder van de markt was gehaald in verband met de verslavende eigenschappen, maar in het illegale circuit nog altijd verkrijgbaar is – hartklepafwijkingen kan veroorzaken.

In Nederland is tegenwoordig nog maar één vermageringsmiddel beschikbaar, alleen verkrijgbaar op doktersrecept. Het gaat om orlistat (merkloos, Alli®, Xenical®). Het verhindert de opname van vet in de darm doordat het de werking van vetsplitsende enzymen (lipasen) remt. Vetten in het voedsel moeten door deze enzymen eerst gesplitst worden (onder andere in vetzuren) voordat ze in de dunne darm kunnen worden opgenomen. In de aanbevolen dosering wordt ongeveer 30 procent minder vet opgenomen. Met orlistat kan het lichaamsgewicht met 5 tot 10 procent verminderen, mits men het middel maandenlang trouw gebruikt en zich aan een strikt dieet houdt. Omdat orlistat niet in de bloedbaan wordt opgenomen, veroorzaakt het buiten de darmen geen bijwerkingen. De ontlasting wordt echter olieachtig en de winderigheid neemt toe. Ook heeft men last van een verhoogde aandrang.

Al met al zijn de resultaten van orlistat en andere middelen, die ooit in Nederland verkrijgbaar waren en weer verdwenen, niet echt indrukwekkend. De oplossing voor te dikke mensen moet dus niet worden gezocht in de pillen. Ze hebben hooguit tijdelijk enig resultaat en dan alleen nog in combinatie met een strikt dieet en meer lichamelijke activiteit.

Operatief  ingrijpen?
Bij overmatige vetzucht (BMI hoger dan 40) kan met het oog op de vele ernstige complicaties worden overwogen operatief in te grijpen. De populairste methode is het aanleggen van een maagband. De band kan met vloeistof worden gevuld, waardoor hij strakker wordt gezet. De maagband verdeelt de maag als het ware in twee helften. De beschikbare eerste maaghelft is sterk verkleind, waardoor de patiënt zich veel eerder verzadigd voelt en aanzienlijk minder eet. Vaak verliest de patiënt in relatief korte tijd meer dan de helft van het overgewicht. De complicaties zijn echter niet gering. Daarom wordt deze ingreep in Nederland met enige terughoudendheid toegepast.


De maagband.

 

Ondervoeding,  anorexia  &  boulimia

Van ondervoeding is sprake als er door vasten (bijvoorbeeld bij een extreem dieet!), hongersnood of hongerstaking onvoldoende calorieën worden ingenomen en het lichaam de eigen weefsels gaat afbreken en als caloriebron gaat gebruiken. Het gevolg is beschadiging van inwendige organen en spierweefsel en het volledig verdwijnen van het lichaamsvet. Er zijn verschillende gradaties van calorieëntekort: van chronische ondervoeding tot volledige verhongering. Chronische ondervoeding is de belangrijkste doodsoorzaak bij kinderen in ontwikkelingslanden. Het tekort aan eiwitten, vitaminen en spoorelementen verstoort de groei, het afweersysteem, het vermogen om beschadigde weefsels te herstellen en de vorming van enzymen en hormonen. Bovendien verloopt de gedragsontwikkeling bijzonder traag en blijft de geestelijke ontwikkeling achter. Bij een ernstig eiwittekort ontstaat op den duur hongeroedeem. De meeste ondervoede kinderen zijn zeer vatbaar voor ernstige infecties, die vaak de directe doodsoorzaak zijn.

Anorexia nervosa wordt als een ernstige psychiatrische aandoening beschouwd, die in extreme gevallen (5 tot 10 procent) tot de dood kan leiden. Anorexia betekent letterlijk tegenzin in eten. Bij anorexia nervosa is sprake van een extreme angst voor overgewicht en weigert de patiënt om een minimaal normaal lichaamsgewicht op peil te houden. De aandoening komt in 95 procent van de gevallen bij jonge vrouwen voor. Meestal begint de ‘ziekte’ tijdens de puberteit, maar soms ook al enige jaren daarvoor. Over de oorzaak tast men in het duister, maar sociale factoren lijken zeker een rol te spelen.

In de westerse wereld overheerst de wens slank te zijn, een wens die wordt gevoed door de reclames waarin mooie, slanke jonge mensen het beeld bepalen. Dik zijn wordt als onaantrekkelijk, ongezond en ongewenst beschouwd. Al vóór de puberteit zijn kinderen zich hiervan bewust. Tweederde van alle meisjes in de puberteit volgt een dieet of neemt andere maatregelen om aan het ‘schoonheidsideaal’ te kunnen voldoen. Gelukkig leidt dit slechts bij een klein deel van deze meisjes (circa 0,28 procent) tot anorexia nervosa. De diagnose anorexia nervosa wordt gesteld op basis van een ernstige gewichtsafname (meer dan 15 procent beneden het peil dat normaal is voor leeftijd en lengte), onregelmatige of geheel ontbrekende menstruatie en enkele typische psychische kenmerken (onder andere dwangmatige bezorgdheid over het lichaamsgewicht). Door veelvuldig braken (zelf opgewekt) en misbruik van laxeermiddelen en plaspillen kan er een kaliumtekort in het bloed ontstaan, waardoor zich levensbedreigende stoornissen van de hart- en nierfunctie kunnen voordoen.

Behandeling
De behandeling van anorexia nervosa bestaat meestal uit twee fasen: herstel van het normale lichaamsgewicht en psychotherapie in combinatie met medicijnen. Bij een gewichtsverlies van meer dan 25 procent wordt de patiënt in de (eerste) herstelfase meestal in het ziekenhuis opgenomen. In sommige gevallen moet voedsel worden toegediend via een infuus of een slang die via de neus in de maag uitkomt. Zodra de lichamelijke conditie van de patiënt is verbeterd, wordt begonnen met een langetermijnbehandeling, bestaande uit individuele psychotherapie, groepstherapie en/of gezinstherapie. Omdat anorexiapatiënten vaak ook depressief zijn, worden ze in die gevallen behandeld met antidepressiva (in het onderdeel 'Depressieve Stoornissen' in de sectie 'Hersenen & Zenuwstelsel').

Ook boulimia is een eetstoornis. Net als bij anorexia nervosa komt die ziekte vooral bij vrouwen voor. In dit geval gaat het om vreetbuien, dat wil zeggen dat men in korte tijd een zeer grote hoeveelheid voedsel eet, meestal in het geheim. Vervolgens braakt de patiënt (zelf opgewekt) of neemt laxeermiddelen of plaspillen in, volgt rigoureuze vermageringsdiëten of doet aan extreme lichaamsbeweging om de effecten van de vraatzucht tegen te gaan. Deze ziekte wordt eveneens behandeld met psychotherapie en medicijnen. Ook wanneer de patiënt niet merkbaar depressief is, kan een antidepressivum vaak helpen om de afwijking beter onder controle te krijgen.

Steun 'Medicijnen op Maat':  een  OPROEP !

Externe links:
    https://www.thuisarts.nl (Thuisarts.nl; Nederlands Huisartsen Genootschap)
    http://www.voedingscentrum.nl (Stichting Voedingscentrum Nederland)
    http://www.diliguide.nl (eetstoornis; Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO)
    http://www.diliguide.nl (obesitas; Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO)
    https://www.nhg.org (Nederlands Huisartsen Genootschap)
    http://www.farmacotherapeutischkompas.nl (Farmacotherapeutisch Kompas)
    http://www.geneesmiddelenbulletin.nl (Geneesmiddelenbulletin)

Terug